Kikkerbilletjes en bonen uit blik

Inspiratie vinden in de tussenposes van het bestaan

We beelden ons de schrijver vaak in als een eenzaat: iemand die op een zolderkamertje bonen uit blik lepelt in afwachting van de muze die zijn inspiratie zal wakker kussen. Maar schrijven voor je brood is een job als elke andere. De meeste auteurs werken niet vanuit goddelijke inspiratie, maar krijgen een klus voorgeschoteld en handelen die af. Zelfs Annie M.G. Schmidt, moeder van de Nederlandstalige jeugdliteratuur, schreef louter in opdracht.

Toch geeft iedere schrijver aan elke opdracht een geheel eigen draai. Vraag een klas een opstel te schrijven over kikkers en je zult twintig compleet andere teksten krijgen. De één schrijft over prinsen en prinsessen, de ander bedenkt een komische scène in een Frans restaurant, een derde houdt een monoloog met een brok in de keel. Zomaar een paar invalshoeken, gebaseerd op de associaties die het woord ‘kikker’ oproept. Doen we hetzelfde met een abstracter thema als liefde of verlies, dan worden de mogelijkheden nog talrijker.

En toch hebben al die verhalen vaak iets universeels. Inspiratie zit ‘m namelijk niet in een origineel onderwerp, maar in wat je ermee doet. Een schrijver verkondigt geen nieuwe ideeën, maar verpakt zijn gedachtegoed op een innovatieve manier. En wat dat betreft geloof ik wel een beetje in magie. Niet in een muze of ander goddelijk wezen, maar in ons eigen buikgevoel.

Want hoe uiteenlopend zijn opdrachten ook zijn, je ziet de hand van een schrijver altijd terug in zijn teksten. Annie M.G. Schmidt herkennen we uit duizenden. Haar persoonlijkheid klinkt door in de stijl die ze hanteert, in de woorden die ze kiest. Daarmee is elk schrijven per definitie autobiografisch, óók als de auteur vertelt over kikkers die in prinsen veranderen. Er sluipt onvermijdelijk iets van hemzelf in de tekst, zijn beelden verraden wat hem op het moment van schrijven bezighield.

Vandaar dat schrijven best confronterend kan zijn: in feite is het de meest geniepige vorm van zelfreflectie. Daarom is het niet meer dan logisch dat elke schrijver periodes heeft waarin hij geen letter op papier krijgt: wie niet goed zijn vel zit, mijdt het liefst zijn spiegelbeeld. Bovendien laat niet elke ervaring zich in woorden vatten. Sommige gebeurtenissen slaan ons uit het lood, en als de schrijver geen grip heeft op zijn eigen gedachten en gevoelens, hoe kan hij ze dan in een narratief gieten?

Toch is een ware schrijver op dat moment bezig met schrijven, juíst door het niet te doen. Periodes van liefde en verlies zijn de meest inspirerende, universele momenten uit een mensenleven. Het zijn transcendentale ervaringen, groeirituelen, die niet voor niets onderwerp zijn van de meeste grote romans (en bij uitbreiding alle kunstvormen). Maar wie zo’n fase doormaakt, kan er onmogelijk over vertellen. Hoe hard de schrijver ook probeert, de woorden schieten hem tekort.

En dàt is misschien waar het beeld van de schrijver als bonenlepelende kluizenaar wortelt. In de tussenposes. In de pieken en dalen van de gevoelswereld. Mogelijk zal de auteur die momenten erkennen als inspiratie, zich voornemen er ooit een grote roman over te schrijven. Maar elke poging daartoe strandt onvermijdelijk, zelfs als er jaren overheen gaan. Tot hij op een dag bezig is aan een opstel over kikkers. De overpeinzingen die hij jaren eerder maakte op zijn koude zolderkamertje, sluipen ongemerkt zijn tekst binnen. Zijn verdriet sijpelt tussen de regels door, zonder dat hij er zelf erg in heeft. En zo lukt het, stukje bij beetje, om het onzegbare te zeggen.

Ja, schrijven is een job als elke andere. Het is een routineklus die discipline vereist. Maar meer nog vereist het om heel hard te leven. Om middagen niets te doen op zolderkamertjes, om dagenlang in bed te blijven liggen of doelloos door de straten te dwalen. Want dat is waar levenswijsheden ontstaan. De schrijver, en bij uitbreiding elke kunstenaar, onderscheidt zich van de rest van de mensheid in zijn vermogen te voelen, écht te voelen. Alleen hij die moedig genoeg is om emoties in alle heftigheid te ervaren, is in staat er iets constructiefs mee te doen. Om niet alleen zichzelf, maar de wereld een spiegel voor te houden. En daarmee schept hij iets dat zijn eigen gevoelswereld overstijgt. Herkenning. Troost. Verbintenis.

I am raw

Nog tot 17 januari kun je in het MuHKA in Antwerpen Bruises and Lustre van Otobong Nkanga bezoeken. In deze tentoonstelling toont de Nigeriaanse kunstenares welke schadelijke effecten het delven van mineralen heeft op mens en milieu, maar door edelstenen in haar kunstwerken te verwerken laat ze ook zien welke aantrekkingskracht deze kostbare grondstoffen op ons uitoefenen.

Bruises and Lustre bevindt zich op het gelijkvloers van het MuHKA, in een ruime en lichte zaal. De kunstwerken zijn verdeeld in een parcours waarbij schilder-, weef- en installatiekunst elkaar afwisselen, al kan de toeschouwer ook vrij rondlopen. Doordat er veel ruimte is tussen de kunstwerken, is de zaal zeer geschikt voor een klasbezoek waarbij kinderen in groepjes opdrachten maken rond de afzonderlijke kunstwerken.

Ondanks het gebruik van mixed media is er een duidelijke samenhang tussen de verschillende werken. De tekeningen en wandtapijten bevatten een aantal terugkerende elementen: touwen, naalden, barsten, aardklompen, vertakkingen, vlekken, in stukken gehakte lichamen en ledematen, … Ze roepen diverse associaties op bij de kijker: boren naar olie, de uitputting van het landschap, van poppenspelers en marionetten, mens en machine, oorlog, …

De tekeningen zijn geschilderd in acrylverf. Nkanga gebruikt aardse tinten (groen, bruin, beige, turkoois, lichtroze), met hier en daar een kleuraccent (oranje, paars). Ze heeft ervoor gekozen de verf te mengen op de hoek van haar papier. Zo blijft er een link bestaan tussen het oorspronkelijke materiaal en de verwerking daarvan in een tekening. De tekeningen zijn gestructureerd in een atoomstructuur, alles staat met elkaar in verbinding. Toch tonen haar werken tegelijk het spijten van landschap (barsten, aardklompen) en mens (touwtrekken). De strakke vormen (naalden, cirkels, robotachtige armen) contrasteren met de grillige vormen van het landschap (vlekvormen, kristalstructuur) en geven zo het contrast weer tussen industrie en natuur. We zien deze vormen ook terug in haar sculptuur Solid Maneuvers (2015), bestaande uit landschappen die steunen op naalden. Het sculptuur is bezaaid met zoutkristallen en snippers bladgoud, waardoor opnieuw een contrast ontstaat, ditmaal in de textuur: de grilligheid van de mineralen in hun pure vorm botst met de strakke vormgeving van een afgewerkt product. Op een gelijkaardige manier contrasteren de tekeningen, die vrij gepolijst zijn door een gebrek aan schaduwen, met de wandtapijten. De zachte textuur van het garen roept associaties op met Afrika, vooral in The Weight of Scars (2015), waar twee reusachtige figuren touwtrekken tegen de achtergrond van wat een landkaart lijkt. Het tapijt is geweven in donkerblauw, met oranje kleuraccenten. In het garen is een glinsterende stof verwerkt, waardoor de associatie met een sterrenhemel niet ver weg is. Het maakt het kunstwerk wijds, zeker omdat dit een uitvergrote versie is van de eerder gemaakte tekening Crisis (2009). Dit benadrukt de schaal waarop de mineralenproblematiek zich afspeelt.

The Weight of Scars is een van de kunstwerken die mij het meest geraakt hebben, waarschijnlijk omdat het aanvoelt als een culminatie van de problematiek die al werd aangekaart in de tekeningen. Het kijken naar het tapijt voelde voor mij een beetje als een panorama: een sterrenhemel boven een uitgestrekt landschap, waar twee reuzen vechten om wie het kapot mag maken. Het andere kunstwerk dat mij enorm geraakt heeft, is In Pursuit of Bling (2014). Deze installatie bestaat uit een dubbel wandtapijt en enkele toontafels, die opnieuw allemaal met elkaar zijn verbonden in een cluster. Er worden mineralen getoond in hun ruwe vorm, maar ook als verwerkt product (bijvoorbeeld een doos met make-uppoeder) en er wordt een duidelijker link gelegd naar de sociale context (de mijn van Tsumeb in Namibië). Het mooiste in deze installatie vond ik echter de videokunst. Twee schermen tonen hoe Nkanga een performance uitvoert met ruwe mineralen. In de eerste video voert ze een soort ritueel uit, dat doet denken aan een Afrikaanse medicijnvrouw: ze wrijft met edelstenen over haar armen, strooit goudpoeder over haar lichaam, houdt een dunne strook flikkerend mineraal voor haar gezicht. Op de tweede video zien we Nkanga in Berlijn. Ze staat met haar rug naar de camera en draagt een soort heksenmuts van onbewerkt turkoois, terwijl ze staart naar een kerk met toren van hetzelfde materiaal. De vorm en kleur corresponderen, maar in het gedicht dat Nkanga voordraagt, benadrukt ze het contrast tussen beide. Een terugkerende zin in haar performance is ‘I am raw’. Doordat deze woorden worden uitgesproken door een Afrikaanse vrouw in een westerse grootstad, legde ik als toeschouwer ineens de link met de sociale problematiek van immigratie en ontheemding. Met taal voegt Nkanga een nieuwe dimensie toe aan haar tentoonstelling, zowel qua vorm als inhoud, en dat vind ik magnifiek gedaan.

Curator Nav Haq vertelde mij dat Nkanga ook enkele live performances geeft tijdens de tentoonstelling. Deze vinden plaats op het grote vloertapijt, From Where I Stand (2015). Ik ben benieuwd of Nkanga ook aan dit kunstwerk een nieuwe dimensie kan toevoegen met haar spoken word kunst, want ik vond deze grote stoffen edelsteen een beetje een teleurstelling. De brochure noemt het ‘een plek voor bezinning’, maar daarvoor vind ik het kunstwerk te vaag. Het blijft voor mij letterlijk en figuurlijk een zwarte vlek. In het midden is een grote draaischijf, maar wat daarvan precies de functie is blijft ongewis. Het is ook niet goed zichtbaar, aangezien we het tapijt niet mogen betreden en er een grote pilaar in het zicht staat.

Ik denk dat het een uitdaging is om rond deze tentoonstelling met kinderen aan de slag te gaan, maar ik denk dat het een leuke insteek zou kunnen zijn voor een lessenreeks in de derde graad.

Wit begint en overwint?

Tijdens de kerstvakantie bezocht ik Babel, een samenwerking van HETPALEIS, de Vlaamse Opera en Solisti del Vento. In dit totaalkunstwerk komen alle muzische domeinen aan bod. Drie professionele operazangers (een sopraan, tenor en bas) zingen samen met een kinderkoor een theatertekst die is opgebouwd uit diverse wereldtalen, dialecten en fantasietaal, waarbij de klassieke operatalen Frans, Italiaans en Duits lijken te domineren. De zangers krijgen muzikale ondersteuning van een orkest, dat aan weerszijden van het podium zit in plaats van in de orkestbak. Net als de liedtekst leunt ook de compositie dicht aan bij traditionele opera, met voornamelijk blaasinstrumenten. Samen klinkt het als een harmonieus geheel, maar erg spannend is het niet. De ondertitel ‘urban opera’ wekte bij mij toch andere verwachtingen. In de Amerikaanse popmuziek wordt de term ‘urban’ immers gebruikt voor muziekgenres die verwant zijn aan de straatcultuur: hiphop, soul, funk, r&b, reggae(ton), dancehall, dubstep, drum and bass, elektronica… Ik had gehoopt hier invloeden van terug te zien in Babel, bijvoorbeeld door het gebruik van rap of percussie, maar dit bleef grotendeels uit.

Met een achtergrond in de taal- en letterkunde was ik nieuwsgierig naar de liedteksten. Natuurlijk herken je vooral de talen die je zelf (enigszins) beheerst, dus is het niet verwonderlijk dat ik vooral Germaanse en Romaanse talen hoorde, met hier en daar Slavische of Arabische invloeden en een enkel woord Chinees (ni hao). Uiteraard beheerst de tekstschrijver een beperkt aantal talen, dus is het logisch dat ook hij terugvalt op de talen die hij kent. Een libretto construeren uit meer dan vijftig talen is een bewonderenswaardige prestatie, maar dat neemt niet weg dat de opera Babel een vrij westers stuk is – en dat terwijl het net pleit voor harmonie tussen alle volkeren. Het was fijn geweest als die boodschap een uiting kreeg in de muziek, maar het reflecteerde zich niet eens in de zangers of muzikanten. Het is toch opvallend dat een opera met multiculturaliteit als een van de belangrijkste thema’s een bijna volledig blanke cast heeft?

Over het dramatisch aspect van Babel was ik evenmin erg te spreken. De opera is losjes gebaseerd op het Bijbelverhaal over de toren van Babel, met als extra moraal dat liefde alles overwint, inclusief de dood. Het verhaal volgt drie volledig witte figuren door een letterstad, waar zij hun eigen taal verzinnen. Ze interageren met het kinderkoor, dat hen – aldus de lesmap – zou pesten en bespotten. Daar heb ik echter weinig van teruggezien in de springende en huppelende bewegingen. En waarom de kinderen schools een rijtje vormden terwijl de zangers hun namen afriepen, is mij een raadsel. De vaart van het verhaal neemt toe naarmate de drie hoofdpersonages (letterlijk) meer kleur krijgen. Na enkele solo’s waarin zij handelingen verrichten die bepalend zijn voor hun karakter – de sopraan verleidt de twee mannen, neerdalend uit de lucht, de tenor krijgt een aanval van gekte, wild springend op een letterblok -, verliezen de figuren steeds een beetje wit (schmink, hun pruik, een kledingstuk…).

Op mij had de solozang van de bas de meeste impact. Na een gevecht met de tenor, dat door de afstand en de krachtige armbewegingen iets weg had van tovenarij, klom de grote man op het letterblok en hitste de meute, bestaande uit de sopraan en het kinderkoor, op tegen de tenor die in foetushouding op de grond lag. Daarna knielden zij allen voor het podium van de bas, die als een koning Nimrod met felle armbewegingen een solozang ten gehore bracht waarin ik voornamelijk Ringel-sen hoorde. Op dat moment schoot het beeld van de rijkspartijdagen in Neurenberg door mijn hoofd en vond ik het moeilijk om me nog op de rest van het verhaal te concentreren. Terwijl de tenor tot leven werd gewekt door de sopraan, dacht ik aan de associatie die ik had gemaakt op basis van mijn cultureel geheugen. Ik dacht aan de wereld van vandaag, de oorlogen, de vluchtelingencrisis, en vroeg mij af: in hoeverre is naastenliefde  opgewassen tegen machtswellust? Het slot van Babel was een einde als in een sprookjesboek, een al te gemakkelijk einde. Konden we maar ‘de dood dooddoen’ – helaas, ook jonge kinderen beseffen maar al te goed dat de realiteit afwijkt van ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’.

Om ten slotte te eindigen met een positieve noot: het decor van bordkartonnen letters en karakters uit verschillende alfabetten zag er prachtig uit. Qua kleur en vorm was de maquette een duidelijke visuele referentie naar Bruegels Toren van Babel en de videoachtergrond creëerde diepte. Ook was het tof dat er werd gespeeld met de vorm van de attributen, bijvoorbeeld door een Arabisch karakter te gebruiken als ‘trompet’.

Hoewel Babel muzikaal goed in elkaar stak en prachtig was vormgegeven, vond ik het verhaal te mager en de boodschap te klef. Bovendien uitte het respect voor de ander zich onvoldoende in de liedtekst, muziek en samenstelling van het ensemble. Om die reden alleen al zou ik hier niet naartoe komen met mijn stageklas, die een zeer diverse samenstelling heeft.

The crazy one

Ready? Un, dos, tres!’ Het zout prikkelde zijn tong en het vocht brandde zich een weg door zijn slokdarm, afgeblust door het verfrissende zuurtje van de limoen. Max knipperde met zijn ogen om de contouren van de ruimte scherp te stellen. Hij bevond zich in een loungebar met paarse verlichting en witte zitzakken. De dansvloer was maar halfvol, hoewel de muziek lang niet slecht was. Nog één shotje, misschien zou hij dan een dansje wagen.

De meisjes in het gezelschap zagen er aantrekkelijk uit, allen klein van stuk en wankelend op dunne stilettohakken. Ana, die hem uitgenodigd had, klampte zich vast aan zijn shirt en gaf hem een tetterende opsomming van alle hippe plekken in de stad. Max luisterde met een half oor. Vanuit zijn ooghoek hield hij Ana’s vriendin in de gaten, Teresa. Het meisje was hem al opgevallen op het huisfeest. In haar felrode jurk was ze moeilijk te missen, maar vooral haar uitbundige kussen ter introductie hadden indruk gemaakt. En haar bizarre gewoonte om tortillachips te dippen in Nutella.

… a really nice coffee bar, and you should really try their Coconut Latte! I know, it sounds like a strange combination…’ ‘WOOHOO, mi favorita!’ Teresa klapte enthousiast in haar handen en begon wild aan de arm van haar vriendin te trekken. Die wierp haar een geërgerde blik toe, maar dat leek het meisje niet te deren. Lachend schopte ze haar hakken uit – ‘Watch these, will you?’ – en spurtte blootvloets richting de dansvloer. ‘Oh my God, she is sooo drunk!’ lachte Jan, een Zweed die onaangedaan leek door de liters alcohol. ‘No way man, that’s just Teresa’s regular behavior!’ giechelde Ana. ‘Yes, she’s the crazy one!’ knikten de andere meisjes instemmend.

Max liet zijn blik regelmatig afdwalen richting de dansvloer, waar Teresa als een malle tekeer ging. De robot, de moonwalk, de grape vine… Alle klassieke discomoves passeerden de revue. Een groepje Britse toeristen draaide om haar heen, hun gezichten rood als bavianenbillen. Losers, dacht hij, en draaide zich om richting de toiletten. Nog één biertje, besliste hij terwijl hij zich van het overtollige vocht ontdeed, dan stap ik op Teresa af. Hij ritste hij zijn gulp dicht, spoelde zijn handen af en nam gedachteloos een paar Boomerangkaarten uit het rekje in de gang. Zijn nieuwe kamer kon nog wat decoratie gebruiken.

Terwijl hij wachtte op zijn bestelling, speurde hij de dansvloer af naar het felle rood. Plots voelde hij een schot in zijn borstkas: daar was het rode jurkje, stevig aangedrukt tegen het lange lijf van Jan. Max wendde abrupt zijn gezicht af. ‘Forget the beer, man, I changed my mind.’ zei hij tegen de barman. Die ene pint zou het verschil niet maken. Zelfvertrouwen was geen plant die ging bloeien als je hem regelmatig bewaterde. Eens een muurbloem, altijd een muurbloem, dacht hij verbitterd.

Op straat sloeg de hitte hem in zijn gezicht. Max graaide naar zijn sigaretten en ontdekte het stapeltje Boomerangkaarten. Dance like nobody’s watching, stond er op de bovenste.

Een handvol goud is niet genoeg

Het zit erop. Vandaag schrijf ik mijn laatste stukje voor Stichting Lezen. Vier weken geleden beloofde ik u een kijkje in de keuken bij Leesweb. Het werd eerder een kijkje in mijn hoofd, waarbij ik telkens uitkwam bij dezelfde conclusie: lezen moet, boven alles, plezierig zijn.

Met mijn eigen schrijfsels wilde ik hetzelfde bereiken. Er mocht af en toe een wenkbrauw gefronst worden of instemmend geknikt, maar lezers moesten mijn blogs toch vooraf eindigen met een glimlach op hun gezicht.

Zo sta ik immers zelf in het leven, glimlachend. Sinds ik werk voor Leesweb, fiets ik fluitend naar kantoor. Ja, de Sint-Annatunnel is een obstakel. Zeker als de lift weer eens defect is, of de deuren net sluiten als ik toekom en ‘Wacht!’ geen impact heeft op de gehaaste koersfietsers. Maar me daarover opwinden? Kom op zeg, er zijn ergere dingen in het leven.

Aangekomen op kantoor, begin ik mijn dag met een babbel en een kop koffie. Ondertussen ontwaakt mijn computer op zijn gemak, hij is niet meer de jongste. Multitasken is niet zijn ding. Gelukkig maar, want als ik mijn pauzelectuur mag geloven is dat helemaal niet zo gezond. ‘Mindful’ moeten we zijn, aldus de Flow en Happinez. Mijn oude pc heeft dit goed begrepen en dwingt me om de zoveel tijd een rustpauze te nemen. Dat ik die momenten vervolgens gebruik om mijn cafeïneniveau op peil te houden, schijnt dan weer niet zo best voor mijn lichaam te zijn. Maar ja, ik ben nu eenmaal een verstokte koffiedrinker.

Het doet me denken aan een verhaal dat mijn collega laatst vertelde. Zij verzorgt leesclubs doorheen het Vlaamse land, met veel deelnemers uit kansengroepen. Aangezien bibliotheken tegenwoordig de vinger op de knip moeten houden, is op sommige plekken het gratis kopje koffie afgeschaft. Voor cafeïnejunkies het perfecte excuus om over te gaan op kraantjeswater. Nietwaar?

Stop.

Hier krijgt mijn optimisme iets ironisch. En dat is niet de eerste keer. Het overkwam me regelmatig tijdens het bloggen en telkens als ik mezelf erop betrapte, ramde ik op de Backspacetoets. Klaagzangen over het leed en onrecht dat de cultuursector wordt aangedaan, kennen we al genoeg. Met deze blog wilde ik een andere richting inslaan: die van de hoop.

Dat vind ik een van de belangrijkste dingen in het leven, hoop. Iets wat we moeten koesteren, iets wat we aan onze kinderen moeten meegeven. De grote schrijvers wisten het al. ‘We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars,’ schreef Oscar Wilde. En Ralph Waldo Emerson zei ooit: ‘When it is dark enough, you can see the stars.’

Maar soms verliest een mens de hoop. Toen ik eind vorig jaar mijn job verloor als gevolg van een faillissement. Toen mijn sollicitaties keer op keer werden afgewezen, net als die van mijn vrienden, ex-collega’s en medestudenten. Toen de banen van mijn beide ouders plots op het spel stonden en ik een melding kreeg van mijn collegeschuld. Toen ook op mijn nieuwe werk subsidieaanvragen werden afgewezen, structurele subsidies stopgezet, een collega haar ontslag kreeg, toen ik thuis tegen de muren opliep – toen, ja toen verloor ik even de hoop.

Maar ik heb ‘m teruggevonden. Door te werken met kinderen, hoe cliché dat ook mag klinken. Kinderen, dat zijn voor mij de sterren aan de donkere hemel. Zo klein, maar twinkelend van potentie. Ze doen me beseffen dat hoop niet wordt geserveerd in grote porties, maar in sprankjes. Wanneer Alexia, vijf jaar maar met de taalvaardigheid van een peuter, een nieuw woordje gebruikt, bijvoorbeeld. Of wanneer Ismael, een bokkige puber, lacht om één van mijn grapjes. Wanneer Armend, die keer op keer naar de iPad grijpt, naast me komt zitten om in een boek te kijken. Wanneer zijn moeder eindelijk het werk neerlegt om samen een verhaal te lezen, of meegaat naar de bibliotheek. Een wandeling van 20 minuten, maar een overwinning op haarzelf.

Die dagelijkse ervaringen overtuigen me van het belang van ons project. Ze geven me de energie om er dag in, dag uit ten volste voor te gaan. En dat is hard nodig, zeker nu onze structurele subsidie is stopgezet. Leesweb is vanaf nu voor het leeuwendeel afhankelijk van projectsubsidies. Om te overleven, moeten we telkens iets nieuws verzinnen. Aan zin en creativiteit ontbreekt het ons geen van allen, maar we moeten al die projecten wel kunnen realiseren. En dat is niet evident, zeker als je bedenkt dat er voor ons voorleesproject aan huis al gezinnen op de wachtlijst staan.

De nieuwe situatie doet me, meer dan ooit, beseffen hoe dankbaar we mogen zijn voor gemotiveerde vrijwilligers. Die mensen offeren een stukje vrije tijd voor ons op, en dat gaat vaak verder dan wekelijks een uurtje voorlezen. Ze struinen ’t Stad af om voor ons te flyeren, ze doneren hun oude speelgoed en bakken cupcakes, ze zakken regelmatig af naar Linkeroever om ons materiaal te vervoeren. Eén vrijwilligster reed ooit met haar voorleesgezin naar de Eerste Hulp om een teek te laten verwijderen, zodat de kinderen het Slotfeest niet hoefden te missen. Zulke mensen zijn goud waard. Maar een project dat moet groeien om te overleven, heeft aan een handvol goud niet meer genoeg.

Als we ooit nood hadden aan nieuwe vrijwilligers, dan is het wel nu. Daarom een warme oproep aan iedereen die dit leest – aan iedereen met een hart voor boeken, met een hart voor kinderen – om deze advertentie te verspreiden. Twee muisklikken op Facebook, meer hoef je niet te doen. Wie weet zit er tussen jouw vrienden wel een nieuwe voorlezer, dat zijn alweer twee extra gezinnen per jaar.

Stichting Lezen gaf alvast de aftrap, en samen met deze blog was dat een geweldige kickstart voor onze promotiecampagne. Binnen één dag had ik een tiental mailtjes van geïnteresseerden – als dat geen hoop geeft! Ik wil Sylvie, Eva en alle anderen dan ook heel hartelijk danken voor deze kans: ik heb met plezier voor jullie geschreven.

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.

Stereotypen en strips in boekvorm

Een stapel boeken voor 8 tot 10-jarigen, lukraak uit de rekken geplukt in bibliotheek Permeke. Het moet inspiratie bieden voor een kritisch stuk over de ‘verstripping’ van de jeugdliteratuur, dat ik had beloofd te schrijven voor de Boekenkaravaannieuwsbrief. Ik kan leukere manieren bedenken om een regenachtige zondagochtend door te brengen. Uitslapen, bijvoorbeeld. Croissants eten met mijn Franse lief. Een aflevering van Orange is the New Black. Maar nee, ik heb het al te lang uitgesteld. Tijd om uit te leggen waarom die Geronimo en Thea Stilton, Captain Underpants en Bram Botermans zo op mijn zenuwen werken, terwijl kinderen hun verhalen verslinden. En mezelf de vraag te stellen: is dat erg?

Het antwoord springt al direct in het oog bij het bestuderen van de covers. De lay-out houdt het midden tussen een leesboek en een strip of tijdschrift. Koeienletters en felle kleuren hier, lijstjes en tekstballonnen daar. De gezichtsuitdrukking van de figuurtjes ontstijgt zelden het niveau van een emoticon en de associatie met een computergame duikt op: ‘Klik hier!’, ‘Kijk mij!’, ‘Lees dit!’. De letters flikkeren als neonverlichting en de personages lijken door een scanner gehaald, gekarakteriseerd aan de hand van een paar basale kenmerken. Via deze hapklare brokjes informatie kan de lezer het verloop van het verhaal bijeen puzzelen. Geen wonder dat het gros van dit soort boeken binnen het genre detective/avonturenroman valt.

Ik sla een willekeurig boek open en begin te lezen.

Fuzzby, de eigenaar, was een groot, groen, vriendelijk monster. Hij maakte de walgelijkste maaltijden klaar, maar de monsters vonden ze heerlijk. Fuzzby had Joep gevraagd hem te helpen. Hij mocht klanten bedienen en zelfs af en toe wat koken.

Et cetera. Elke zin heeft ongeveer dezelfde lengte en structuur. Dat gebrek aan taalvariatie op zich is al weinig uitdagend, maar ook wat betreft personages en setting laat de auteur kansen liggen. Ziet u Fuzzby voor u? Proeft u zijn maaltijden? Ik alvast niet, en dat komt omdat de auteur beschrijft in plaats van verbeeldt. Dat hij daarbij ook nog eens voor de hand liggende adjectieven als ‘groot’ en ‘heerlijk’ kiest, maakt dat onze fantasie niet tot nauwelijks wordt geprikkeld. We worden niet uitgenodigd om de dingen op een nieuwe manier te bekijken, en is dat niet juist de hoofdtaak van literatuur?

Wat ik nu schrijf, geldt niet alleen voor de stijl maar ook voor de inhoud. Boeken als deze verschijnen dikwijls in reeksvorm en die formule slaat aan. Doordat de personages en setting vertrouwd zijn, hoeft de lezer er niet te veel bij na te denken. Wellicht daarom spelen veel van deze verhalen zich af binnen de vertrouwde context van de school. De vindingrijke underdog en zijn grappige sidekick, de strenge meester, het mooie maar gemene meisje en de bullebakken uit een hogere klas, steevast zijn ze van de partij. Heel herkenbaar allemaal, maar pas op: herkenbaarheid mag niet worden verward met realisme. In het echte leven is de meester streng maar rechtvaardig, doet het mooie meisje gemeen uit onzekerheid en zet groepsdruk de bullebakken aan tot pesten. Die drijfveren zijn lang niet altijd zichtbaar, simpelweg omdat we niet in elkaars hoofd kunnen kijken. En precies daarom hebben we boeken nodig: lezen is onze beste kans om onszelf in de ander te verplaatsen.

Uiteraard is geen enkel boek een accurate weergave van de werkelijkheid. Maar er is wel een duidelijk verschil tussen deze ontspanningslectuur en literaire jeugdromans. De eerste biedt ons een versimpelde versie van de werkelijkheid, waarbij alles en iedereen in hokjes geplaatst wordt; de tweede is een verdieping van de werkelijkheid, die inzicht geeft in de vaak onzichtbare beweegredenen van de mens. Het behoeft geen uitleg welke van de twee inspeelt op onze sociaal-emotionele competenties.

Natuurlijk is het prettig om af en toe te ontsnappen aan de werkelijkheid. Zeker als je op het randje van de puberteit staat en de wereld al verwarrend genoeg is. En al helemaal als je een onpopulaire boekenwurm bent: het schoolplein is gevuld met stommeriken, klaar. Het is gemakkelijk. Maar is gemakkelijk niet altijd té gemakkelijk? Er is niks mis met een beetje ontspanning op zijn tijd, mits er een inspanning tegenover staat. We hebben beide nodig om te functioneren én te groeien. Dus deze stripachtige jeugdboeken hebben zeker ook hun waarde: als ze kinderen aanzetten tot lezen, dan is dat geweldig. Maar leesplezier is niet het einddoel, het is de eerste stap. Want als lezen deuren kan openen, waarom zouden we er dan genoegen mee nemen dat kinderen op de drempel blijven staan?

Voorlezen heeft tal van voordelen: voor de concentratie, de taalontwikkeling, de literaire en sociaal-emotionele competenties. Maar het maakt wel een verschil wat voor soort boeken je als voorlezer uitkiest. Een traditioneel leesboek met zwarte letters op wit papier, een trage opbouw en ontwikkelde personages zal meer uithalen dan de zesendertigste Stilton. Daarom vind ik dat elke leesbevorderaar moet streven naar meer. Niet door kinderen boeken op te dringen, maar wel door hen een gevarieerde selectie aan te bieden. Dikke kans dat ze alsnog die ene Stilton uit de stapel graaien, maar dan hebben we het tenminste geprobeerd. Er bij voorbaat vanuit gaan dat sommige kinderen niet in staat zijn tot meer, vind ik ronduit lui.

En lukt het niet? Ach, dan is nog niet alles verloren. Want hoe zeer ik me ook erger aan deze strips in boekvorm, tijdens mijn korte onderzoekje dringen zich ook enkele herinneringen op. Aan babysitters en bakkersdochters, tweelingen en drielingen, het wekelijkse gevecht om de Donald Duck. Zijn de jonge lezers van vandaag dan toch niet gedoemd om te blijven sukkelen? Mogelijk zullen ze het nog ver schoppen in de literaire wereld. Tot jeugdboekenrecensent bijvoorbeeld, of educatief medewerker bij een leesbevorderingsproject. En wie weet, misschien ooit tot auteur.

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.

Het zwarte prinsesje en het jongetje dat geen snoepje wou

Tijdens de zomer leest de Boekenkaravaan op speelpleintjes, festivals en andere locaties. Die zomervoorleesmomenten vinden we erg belangrijk. Niet alleen om de ontlezing tegen te gaan, maar ook omdat we zo een breder publiek bereiken. Ons project bestaat bijna vijftien jaar. We hebben bekendheid opgebouwd, vertrouwen gewonnen en toch blijven er families die niet willen meedoen. Niet alle gezinnen zitten te wachten op bezoek van een vreemde, hoe goed hij of zij het ook bedoelt. Een scheur in de zetel of afgebladderd behang kan al eens een dealbreker zijn. Hoe leuk of nuttig voorlezen aan huis ook is, het blijft een inbreuk op de privacy.

Dit geldt ook de gezinnen in de sociale woonblokken op Linkeroever. Toen Robin Polak, conciërge op het Europark, ging polsen over er animo was voor de Boekenkaravaan, bleek dat veel gezinnen het niet zagen zitten om een vreemde bij hen thuis uit te nodigen. Zo ontstond het idee voor Blokboeken, een nieuw project dat de Boekenkaravaan hoopt te realiseren met hulp van de Burgerbegroting (inwoners van Antwerpen kunnen allemaal stemmen, dus doen!). In 2016 willen we van start gaan met een voorleeswerking op openbare plekken in de flats zelf. Iedereen is welkom en doordat de bewoners zich nauwelijks hoeven te verplaatsen —het voorlezen gebeurt letterlijk ‘om de hoek’—, is de drempel laag.

Dat dit project een succes gaat worden, daarvan ben ik overtuigd. Afgelopen zaterdag heb ik zelf voorgelezen in het Europark, dat dit jaar voor het eerst meedoet aan onze zomervoorleesmomenten, en het was een doorslaand succes. Dit is voor een groot deel te danken aan de jeugdwerkers van Formaat, die het geheel in goede banen leidden. Bouchra en Omar zijn enthousiast en staan dicht bij de kinderen. Ze hadden hen op voorhand verteld dat de Boekenkaravaan zaterdag zou langskomen, dus toen ik om kwart voor twee bij het jeugdhonk arriveerde stonden er al een paar ongeduldige knulletjes te wachten.

Jongens van een jaar of tien zijn niet de meest gemakkelijke doelgroep, zo weet ik uit ervaring. Maar daar heb ik bij deze gastjes niets van gemerkt. Af en toe waren ze wat uitbundig, hetgeen tijdens het schilderen een paar besmeurde neuzen opleverde, maar dat hoort erbij. Wat ik vooral belangrijk vond, was dat ze helemaal meegingen in de verhalen die ik voorlas.

Na een introductierondje – Hoe heet je, wat is je lievelingskleur en wat heb je allemaal in die kleur? – was het tijd voor De gele olifant van Loes Riphagen, een woordeloos prentenboek dat zich uitstekend leent voor interactie. En voor kritische vragen, zo bleek: ‘Waarom is de olifant geel?’, ‘En de schil van een ananas, die is toch bruin?’, ‘Kyra, wat is ‘Merlot’? Rode wijn, echt?!’ Ik kon moeilijk een lachbui onderdrukken. Wat was ik trots op die klein mannen, die bovendien veel referenties aanwezen – van Spongebob en Bart Simpson tot de zonnebloemen van Van Gogh.

Na het voorlezen liet ik de kinderen in teams van twee en stilleven maken van gevonden voorwerpen in een bepaalde kleur. De broer en zus die samen twee gele vrienden maakten, hadden duidelijk het best geluisterd naar het verhaal. Maar ook de blauwe luchtballon, bestaande uit een cakevormje, ballon en Playmobilpoppetje was leuk gevonden, net als de groene dino en fossiel. Team Rood sleepte vol enthousiasme een bouwhekje over het grasveld en trok zelfs hun eigen T-shirts uit – hoewel ze daarna niet goed wisten wat ze ermee moesten aanvangen, kregen ze bonuspunten voor de inzet.

Daarna was het tijd voor het tweede verhaal, Rockie van Julia Donaldson en Emily Gravett. Zonder onderbreken een prentenboek op rijm voorlezen aan deze groep, daar ben ik zelf dan weer een beetje trots op. Ik gaf de kinderen vooraf de opdracht om een beweging te verzinnen bij elk dier, van de sluipende tijger en de giechelende hyena tot de grote bruine beer. Lachsalvos galore. Vervolgens gingen we net als de Mammoet (‘Saus voor bij de frieten, toch?’) verf spuiten. Ons schilderij – Pollock is er niks bij! – ligt te drogen in het jeugdhonk. We besloten de middag met een potje Twister en een snoepje, als beloning voor de inzet en het helpen opruimen.

En op dat moment gebeurde wat mij nog het meest ontroerde. Tussen alle graaiende handjes was er één jongetje dat nee zei. ‘Ramadan.’ Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan: dat ik daar niet bij had nagedacht! Wat gaan we toch gemakkelijk uit van onze eigen normen en waarden. En wat knap van die jongen – tien jaar en beter bestand tegen groepsdruk dan de meeste volwassenen, mezelf incluis.

Dat is wat ik bedoel met ‘van elkaar leren’. En precies daarom is het belangrijk dat de Boekenkaravaan niet alleen voorleest in het Europark, op het Kiel of het Stuivenbergplein, maar ook in de Zomerbib of op het Sfinks festival, waar blauwe kijkers de voorlezer aanstaren vanonder blonde pony’s. Die kinderen hebben onze voorleesmomenten niet nodig voor hun taalvaardigheid, hun literaire of sociaal-emotionele competenties, die zaken krijgen ze van huis uit mee. Maar de Boekenkaravaan heeft wel een invloed op het soort boeken dat ze lezen. In de zomerbib kies ik niet voor Goudlokje of Assepoester, maar voor Prinses Arabella en prins Mimoen. En op Sfinks lezen we voor uit de boeken van Studio Sesam.

Of het iets uithaalt, zo’n donker prinsesje in een leesleven vol blonde deernes? Stel nu dat dat ene prinsesje bij de kinderen hetzelfde gevoel teweeg brengt als dat jongetje bij mij, toen hij een snoepje weigerde. Is dat niet voldoende?

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.

Ik wil niet want ik moet

Vorige zomer ben ik in retraite gegaan. Soort van. Ik balanceerde op het randje van een burn-out, als gevolg van een te volle agenda, te veel recensieklussen en te weinig vitamine D. Het leek erop dat mijn enige “vakantie” dat jaar een conferentie in het Verenigd Koninkrijk zou zijn, waar ik mijn thesis mocht presenteren. Een geweldige carrièrekans, dat zeker. Maar hoe geweldig is die carrière als je er zelf geen lol aan beleeft?

Lezen puur voor mijn plezier, dat was lang geleden. Als student taal- en letterkunde en literair recensent las ik enkel in opdracht. Ik moest altijd een mening over een boek hebben, ik moest er altijd iets origineels over kunnen zeggen. Op den duur wordt dat steeds lastiger, omdat het merendeel van de boeken, óók de literaire, sterk op elkaar lijkt. Een boekbespreking werd routine, elke paper of recensie een kopie van een kopie. Ik was ongeïnspireerd, ik haalde geen voldoening meer uit mijn grootste passie.

Dus besloot ik om terug te gaan naar de essentie. Om de ongelezen boeken uit mijn eigen bibliotheek een kans te geven, in de hoop zo mijn leesplezier terug te vinden. Ik zegde de conferentie af en boekte een week Sardinië in de plaats. Elke ochtend wandelde ik een uur door een pijnbomenbos om afgelegen strandjes te bereiken, met wit zand en een kraakheldere zee. Elke avond at ik sappige tomaten en zilte olijven op “mijn” rots, vanwaar ik perfect zicht had op de zonsondergang. En elke dag, of toch bijna, las ik een boek.

Ik las zonder deadline of pen in de aanslag, zonder iets van het verhaal te moeten vinden. Het enige wat ik hoefde te doen, was me laten meevoeren en genieten. Ik at wanneer ik honger had, dronk wanneer ik dorst had, zwom wanneer ik het warm had en sliep wanneer ik moe was. Ik passeerde natuurschoon en pittoreske plaatsjes, maar nam geen foto’s voor het thuisfront. Mijn camera had ik thuis gelaten, mijn Facebookaccount gedeactiveerd. Ik wilde mijn vakantie beleven zoals ik die vroeger beleefde, tijdens mijn kindertijd.

Opgegroeid in een Nederlands middenklassengezin in de jaren negentig, is het geen verrassing dat ik als kind heel Frankrijk heb gezien. Elke zomer trokken we er met de tent op uit, steeds verkenden we een nieuwe streek. Echter, van de meeste vakanties herinner ik me niet veel meer dan het zwembad bij de camping. Avonturen beleefde ik niet aan de Golf van Biskaje of in de Gorges d’Heric, maar in de boeken die ik meenam. Een gemiste afslag, een gestolen portemonnee – al die volwassen ellende leek ver weg vanaf de achterbank, waar ik afreisde naar Taka-Tukaland en het eiland van Groot en Groei.

Terugkijkend op die vakanties, vraag ik me af in hoeverre ik ze bewust heb beleefd. In mijn hoofd lijkt alles op elkaar. Herinneringen vloeien in elkaar over, veel meer dan dat het geval is bij dagdagelijkse zaken uit die tijd. Is het alledaagse voor een kind misschien al spannend genoeg? Het Sesamboek Ik wil niet naar Marokko van Laïla Koubaa en Tinne Van den Bossche suggereert van wel. Hoofdpersonage Omar gaat liever voetballen op het pleintje dan op familiebezoek in een ver oord. Zelfs het vooruitzicht voor het eerst te zullen vliegen, overtuigt hem niet.

Wat Omar heeft met voetbal, dat had ik als kind met boeken. Ik reisde liever in mijn hoofd dan in het echt. Lange autoritten waren voor mij een noodzakelijk kwaad – boeken en haarspeldbochten zijn nu eenmaal geen goede combinatie. Lezen was voor mij een vakantie op zich, zoals voetballen dat voor Omar is. Maar hoe zit dat als je van je hobby je beroep maakt?

Net zoals af en toe een balletje trappen de conditie op peil houdt, zo stimuleert lezen voor het plezier de geest. Maar je kunt zoiets ook uitputten. Profvoetballers zijn vatbaar voor blessures, schrijvers worstelen met writer’s block. En ik, ik leed aan wat Geoff Dyer omschrijft als “reader’s block” (zie het gelijknamige essay uit Otherwise Known as the Human Condition, 2011). Ik had zo veel boeken gelezen dat ik verzadigd was. Volgens Dyer is dit een logisch gevolg van volwassenwording. Boeken zouden minder indruk maken naarmate we ouder worden; omdat we meer lees- en levenservaring hebben opgedaan, zijn de inzichten minder wereldschokkend. Dat zal wel zijn, maar Dyer was 41 toen hij dat essay schreef en ik ben 26. Aan levenservaring alleen zal het dus niet liggen.

Voor een deel zal het ook aan de boeken zelf gelegen hebben. Als student of recensent heb je niet altijd te kiezen, indien een boek je niet aanspreekt moet je het toch uitlezen en beargumenteren waarom. Dat verklaart waarom ik de zeemzoete chicklit van Rainbow Rowell door het raam wilde smijten, maar hoe kan het dat ik hetzelfde gevoel had bij Carnegie Medal-winnaar Kevin Brooks? Volgens mij werd mijn leesaversie veroorzaakt door het soort boeken noch de hoeveelheid, maar door de manier waarop ik ze las. Ik moest. En is dat niet precies wat wij, schrijvers, onderwijzers en bibliothecarissen, afraden?

Wanneer we discussiëren over leesplezier, gaat het altijd over kinderen. Maar eerlijk, zijn kinderen daar niet veel beter in dan wijzelf? Hoe vaak lezen wij een boek puur ter ontspanning? Hoe vaak nemen, of liever krijgen, we echt de tijd voor een boek? Tijdens mijn studie werden er zeven hoorcolleges uitgetrokken voor James Joyce’s Ulysses en nog voelde het als een race tegen de klok. Geen wonder dat slechts een tiental studenten het boek helemaal uitgelezen had.

Lezer, als u zichzelf in mijn verhaal herkent, doe uzelf dan een plezier. Leg elk boek weg dat u nog moet lezen voor uw werk, voor uw studie of omdat het een bestseller is. Ga naar de boekwinkel, bibliotheek, uw eigen boekenkast, en laat uw ogen rustig over de planken dwalen. Welke boeken heeft u nog niet gelezen, of zou u graag nog eens lezen? Welke maken u nieuwsgierig of enthousiast? Neem een stapeltje en lees van elk boek niet de achterflap, maar de eerste pagina. Probeer uw voorkennis uit te schakelen, denk er niet te veel bij na. Stel uzelf slechts één vraag: “Heb ik zin om verder te lezen?” Is het antwoord ja, dan gaat dit boek deze zomer mee in uw koffer.

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.

Mogen en moeten

Gisteravond, in een snikheet kantoor op Linkeroever, hielden we onze tweemaandelijkse redactievergadering. De volgende Boekenkaravaannieuwsbrief verschijnt begin september en heeft als thema: ‘mogen en moeten’. Binnen de kinder- en jeugdliteratuur is dit stof voor een eeuwigdurende discussie. Mogen kinderen lezen wat ze willen, zolang ze maar lezen? Of moet je hen hoogstaande literatuur aanbieden, wetende dat de moeilijkheidsgraad kan leiden tot leesaversie? Moeten kinderen stil zitten luisteren tot een verhaal is afgelopen, ook als het hen duidelijk niet interesseert? Moet je streng optreden als ze zich misdragen, of heeft dit een averechts effect? En hoe zit het met respect: ben je ‘u’ of ‘jij’, ‘mevrouw’, juffrouw’ of gewoon ‘Kyra’?

Het zijn de bekende vragen waarmee elke voorlezer geconfronteerd wordt, en we weten allemaal dat de waarheid ergens in het midden ligt. Maar voorlezen bij de Boekenkaravaan gaat verder. ‘Mogen’ en ‘moeten’ krijgen een andere lading zodra je over de drempel van een woning, opvanghuis of woonwagenterrein stapt. Een buitenstaander betreedt de privésfeer, en dat betekent een confrontatie met andere gewoonten en gebruiken – zowel voor de voorlezer als voor het gezin. De positieve effecten zijn dan ook afhankelijk van de mate waarin beide partijen bereid zijn hun comfortzone te verlaten.

Want wat doe je als je gevraagd wordt je schoenen uit te trekken? Als je als vegetariër een sappige kippenbout krijgt aangeboden, of als je op dieet bent en de moeder presenteert een schaal vol zoete lekkernijen? En als je wordt uitgenodigd om een glas muntthee te drinken met een kettingroker, neem je de sigarettenwalm dan op de koop toe?

Zou je bereid zijn je armen en benen te bedekken, als dit je enige kans is om voor te lezen op een Joodse school? Zou je akkoord gaan met een ingreep in je tekstkeuze, of zelfs censuur in het verhaal zelf? Wat zou je doen als kinderen onderling beginnen te vechten, of als een ouder een corrigerende tik uitdeelt? Antwoorden dat de waarheid ook hier “ergens in het midden” ligt, is al te gemakkelijk. Want wat doe je op het moment zelf, als er à la minute een knoop doorgehakt moet worden?

Voorlezers zijn geen opvoeders, geen leerkrachten, geen sociaal werkers. Hulpverlening, hoe groot of klein ook, valt buiten onze taak. We zijn er niet om onze normen en waarden op te dringen, of te assisteren bij het invullen van de belastingaangifte. Het enige wat wij doen, is verhalen brengen. Verhalen in boekvorm, maar ook verhalen van mensen. Elk boek biedt immers gespreksstof, hoe banaal het verhaal misschien lijkt. Het Sesamboek De loopwedstrijd bijvoorbeeld, waarin een blanke jongen de schoenen van zijn Afrikaanse vriend verstopt omdat hij weet dat hij hem niet zal kunnen bijbenen tijdens de race. Voor mij als westerling is dit een klassiek voorbeeld van jaloezie, maar de Afrikaanse schrijfster Benedicte Moussa-Degreef ziet het juist als een vorm van loyaliteit: samen lopen, anders niet.

Goede verhalen hebben vaak iets universeels, maar tegelijk – of juist daarom? – kunnen ze op meerdere manieren geïnterpreteerd worden. Ze brengen ons dichter bij elkaar, maar wijzen ons ook op de verschillen. Ze leren ons de Ander kennen, op een ongedwongen manier. Natuurlijk neemt dat de praktische problemen niet weg, maar het doet ze ons wel even vergeten. En op dat moment, voorbij mogen en moeten, staan we dichter bij elkaar dan ooit.

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.

Veel leesplezier!

Vandaag vier ik een bescheiden jubileum. Ik werk precies drie maanden voor Leesweb, als tijdelijke coördinator van de Boekenkaravaan – een voorleesproject dat mij nauw aan het hart ligt.

Vandaag is het ook drie jaar en vijf maanden geleden dat ik, Nederlandse, arriveerde in Antwerpen. Ik kwam hier voor mijn eerste “echte” job, redacteur bij Vlabin-vbc, dat tot december 2014 de literaire tijdschriften Leeswolf en Leeswelp uitgaf. Alleen in een nieuwe stad – buitenlands, maar ook weer niet helemaal want ik spreek de taal – deed ik wat ik altijd doe als ik ergens voor het eerst kom. Ik ging op zoek naar een goede boekwinkel.

Snuisterend door de Wolstraat en over de Melkmarkt belandde ik in kinderboekhandel Pardoes. Tussen de Geronimo Stiltons en Stephenie Meyers viel mijn oog op een postkaartje met illustratie van Carll Cneut. ‘Hou je van voorlezen?’ vroeg het kaartje mij. ‘Doe mee met de Boekenkaravaan!’ Het bleek om een voorleesproject aan huis te gaan, en ze zochten vrijwilligers.

Ik was meteen enthousiast. Voorlezen, moet u weten, zit een beetje in mijn bloed. Mijn ouders, beide boekenwurmen, namen die taak zeer serieus. Elke avond vertelden ze ons een verhaaltje voor het slapengaan, ook toen wij allang zelf konden lezen. Het eerste deel uit de ‘Harry Potter’-reeks hebben we met zijn allen gelezen, ik zat toen in het eerste middelbaar.

Heeft dat voorlezen ons gevormd als gezin? Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar ik denk van wel. Als ik kijk naar mijn familie, zie ik een buitengewone openheid. We spreken elkaar wekelijks, over alles: ik voel me zo geborgen bij mijn ouders, dat er geen plaats is voor taboes. Als ik mezelf met mijn broer vergelijk, zie ik opvallende parallellen. We zijn beide creatief, taalvaardig en analytisch – ik als literair recensent, hij als filmcriticus. En als het gaat over mij, dan weet ik: boeken zijn een vanzelfsprekendheid. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om niet in een boek bezig te zijn. Dat ik nooit naar de bibliotheek zou gaan. Dat ik geen boek in mijn handtas zou hebben, of op mijn nachtkastje. Ik zou niet weten hoe ik mijn vrije tijd zou invullen, zonder een permanent gevoel van leegte en onrust.

Maar hoe zit het met gezinnen waar voorlezen niet evident is? Waar kinderen en ouders lezen associëren met huiswerk, waar geen geld is om boeken aan te schaffen, waar het Nederlands niet de thuistaal is, waar slechts schaars meubilair aanwezig is maar vaak wel een loeiende televisie of iPad? Is leesplezier daar überhaupt een optie?

Na drie jaar en vijf maanden vrijwilligerswerk, waarvan 3 maanden voltijds, zeg ik met overtuiging: absoluut. Zoals ik drie jaar geleden afscheid nam na mijn eerste voorleesbezoek, een glimlach van trots rond mijn lippen, zo glunder ik nog altijd: vorige week bijvoorbeeld, tijdens ons slotfeestje op het woonwagenterrein in Wilrijk. Het beeld van een klein meisje, uitgestrekt op het grasveld en bladerend in een prentenboek, staat nog altijd op mijn netvlies gegrift.

Leesplezier brengen waar dat niet vanzelfsprekend is, dat is waar de Boekenkaravaan voor staat. We doen dat bij gezinnen thuis, in kinderdagverblijven en CKG’s, op speelpleintjes en nog andere locaties. Mijn collega’s van Leesweb trekken door het Vlaamse land om leesclubs te geven en publiceren tips en tools voor leesbevorderaars.

Deze maand geef ik een kijkje in onze keuken. Ik neem jullie mee naar de Antwerpse speelpleintjes, de zomerbib en de Biodroom. Met onze vertelkoffers duiken we in de wereld van monsters en piraten. De redactie deelt haar zomerse boekentips, de illustrator en vormgever geven een sneak peek in het gloednieuwe Boekenkaravaanboek dat in het najaar verschijnt. En een groep ervaren onderzoekers, ten slotte, test of voorlezen aan huis inderdaad het beoogde effect heeft.

Ik wens jullie alvast veel leesplezier!

In juli 2015 was ik gastblogger voor Stichting Lezen Vlaanderen. Deze blog is eerder verschenen op www.jeugdliteratuur.org.