Geurpagina’s

Ik was elf jaar ik mijn leven begon te documenteren. De aanleiding was een verjaardagscadeau: een dagboekje met slotje en minuscule sleuteltjes, die ik zorgvuldig bewaarde in een doosje in een kistje in een lade van mijn bureau.

Het speciale aan dat dagboek waren de geurpagina’s. Wanneer ik terugdenk aan die weeïg zoete walm drijf ik weg op een wolk van magie, naar poederoogschaduw en lippenstift in roze tinten, bodyglitter en haarmascara. Naar zure matten, Haribokersen en van die reuzenlolly’s die je onmogelijk in een keer kon opeten zonder misselijk te worden. Naar mijn favoriete lunchpakket: een boterham met knalroze marshmallowpasta, Fluff genaamd, en een dikke plak kokosbrood. Naar de deodorant van Fa, weinig absorberend maar oh zo populair in de meisjeskleedkamer. En naar het moment dat ik me plots erg bewust was van mijn Disney-ondergoed en het feit dat sommige meiden al een beha’tje droegen, een van hen zelfs een string.

Vanaf toen vervloog de magie van mijn kindertijd even rap als de walm van mijn dagboekpagina’s. Niet lang daarna ontdekte ik dat zo’n string eigenlijk helemaal niet lekker zit. Je billen lijken er dikker in, en wat doe je als je ongesteld wordt? Wanneer ik terugblader door dat allereerste dagboek overvalt mij een lichte weemoed naar de tijd dat volwassen worden nog spannend was in plaats van eng. Naar de tijd dat ik droomde van boybands in plaats van jongens uit de parallelklas, en dat ik kon snoepen zonder me zorgen te maken over mijn gewicht. Toen rennen nog een spelletje was, en braken akelig in plaats van routine.

In de jaren daarop werden mijn dagboeken dikker, aangevuld met tekeningen en gedichten. Die papieren vrienden hielpen me door mijn puberteit, absorbeerden mijn gepieker en verdriet. Maar geen van alle hadden ze geurpagina’s.

Advertenties

Hond en Kat

Kat ligt te soezen op de vensterbank van de gevangenis waar ze nu al een week verblijft. Eindelijk is het haar gelukt om een plekje in de zon te bemachtigen. Ze knijpt haar ogen genietend dicht, maar rust is haar niet lang gegund. ‘Pssst, Kat! Joehoe, hier beneden!’ Kat leunt op haar voorpoten en tuurt uit het raam. Een chocoladebruine labrador springt enthousiast kwispelend tegen het muurtje op. ‘Ik vroeg me al af wanneer ik je weer zou zien,’ blaft hij vrolijk. ‘Heb je het ook zo naar je zin hier?’ Kat kijkt hem laatdunkend aan. ‘Naar mijn zín? Híer?’ smaalt ze. ‘Uh-uh!’

Kat zakt ineen op de vensterbank, haar snorharen prikken tegen de muur van glas. Hond zet zijn poten tegen de muur en drukt zijn snuit tegen de ruit. Het is bijna alsof ze elkaar aanraken. ‘Kop op, Kat,’ zegt Hond zachtjes. ‘Zo erg is het hier toch niet?’ ‘Ik hou er niet van om uit mijn territorium gehaald te worden, telkens wanneer het de baas goeddunkt.’ ‘Dan maak je toch een nieuw territorium?’ Hond tilt zijn poot op en voegt daad bij het woord. ‘En nieuwe vrienden!’ Hij stormt weg om aan het achterwerk van een border collie te snuffelen. Jij hebt makkelijk praten, denkt Kat. Jou laten ze buiten, want jij loopt toch niet weg. Als ik zo’n kans zou krijgen, dan zou ik het wel weten.

Daar is Hond weer. ‘Sorry, ik werd even afgeleid. Dat is Mickey, het knapste teefje van het pension. Heb jij ook al vrienden gemaakt daarbinnen?’ Kat lacht schamper. ‘Je hebt geen idee hoe het er bij ons aan toe gaat, zeker?’ Van vriendschap is beslist geen sprake in de kattenkamer. Nieuwelingen worden getrakteerd op een portie geblaas en kromme ruggen. Een territorium moet je niet alleen afbakenen, je moet het ook verdedigen.

Hond kijkt haar niet-begrijpend aan. ‘Vind je het niet leuk om nieuwe beesten te ontmoeten?’ ‘Natuurlijk niet! Ik snap niet hoe jij dat doet, in iedereen een potentiële vriend zien. Hoe weet je nu of ze te vertrouwen zijn?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordt Hond vrolijk. ‘Maar als ik hen toch niet ken, waarom zou ik dan een reden hebben om hen te wantrouwen? ‘En jou hebben ze aangenomen als waakhond!’ meesmuilt Kat. Ze staat op, rekt zich uit en springt sierlijk van de vensterbank.

Een week later zien ze elkaar weer. Hun verblijf in het pension zit erop, de baas staat hen al op te wachten. Hond stormt hem bijna omver van enthousiasme. Kat slaat het tafereel gade vanuit de kleine gevangenis waarin ze door het personeel geplaatst is. Ze snapt niet hoe Hond het doet. Twee weken eerder begroette hij de medewerkers van het pension met hetzelfde enthousiasme. En dan zeggen ze altijd dat honden zo trouw zijn.

Hoppa, daar gaan ze weer, de misselijkmakende rit over de hobbelige landweggetjes. Kat krult zich op. Als ze zich zo rustig mogelijk houdt, overleeft ze deze ellende misschien zonder haar tonijnfilet uit te braken. ‘Pssst!’ Hond duwt zijn natte snuit tegen het deurtje van haar kooi. ‘Fijn hè, dat we weer naar huis gaan?’ ‘Vind je? Ik dacht dat jij het zo naar je zin had daar,’ sneert Kat. ‘Tuurlijk!’ lacht Hond ‘Maar thuis kan ik spelen met de honden uit de buurt, en met de Kleine Baas. Zeg, vind je ook niet dat de Grote Baas anders ruikt? Zo… zepig.’ ‘Zal de After Sun wel zijn. Net goed, had die rooie rotzak ons hier maar niet moeten achterlaten.’

‘Je bent écht boos op hem,’ constateert Hond. ‘Heb je hem daarom net gekrabd?’ Kat reageert niet. Ze doet haar uiterste best om de opspelende tonijnfilet binnen te houden. ‘Wat is er toch, Kat?’ ‘Laat me met rust!’ sist ze. ‘Ben je boos op de Baas omdat hij ons in de steek gelaten heeft?’ ‘Natuurlijk niet!’ De zurige smaak van tonijn brandt in haar keel. ‘Ik kan die ouwe missen als kiespijn. Dat hij bepaalt waar wij gaan en staan, wanneer het hem uitkomt, dáár heb ik een probleem mee!’ Als wraak braakt ze de hele mand vol. Hond snuffelt aan de tralies. ‘Hmm, dat ruikt bepaald niet fris. Gaat het wel?’ Kat rolt zich op tot een balletje, zo ver mogelijk van de zurige vlek. Hond likt een beetje tonijnbraaksel op. ‘Die koekjes van net smaakten een stuk beter.’ Kat doet haar best om in slaap te vallen, dan gaat de rit een stuk sneller. ‘Waarom doe je toch altijd zo moeilijk, Kat?’ Kat zwijgt. Zou ze die vraag eerlijk beantwoorden, dan leidt ze gezichtsverlies. En liegen is beneden haar waardigheid.

14 februari

Hij keek me glimlachend aan, vreemd en bescheiden. ‘Voor jou. Een kleinigheidje, om je te bedanken voor de fijne namiddag.’ In zijn handen had hij een plastic zak van de WE. Het was beter dan Hunkemöller of Christine Le Duc, maar ik vertrouwde het zaakje toch niet helemaal. ‘Goh, dat is aardig van je, Joris,’ zei ik terwijl ik een pluk dik zwart haar uit mijn borstel trok, ‘maar we mogen geen cadeaus aannemen van klanten.’ Ik trok de ceintuur van mijn kamerjas wat steviger rond mijn middel en ging aan mijn kaptafel zitten. Vanuit de spiegel nam ik hem in me op. Het gebeurde wel vaker dat klanten met cadeaus kwamen aanzetten. Meestal morsige mannetjes van middelbare leeftijd met bruinverweerde handen, die slecht passende lingerie voor me meebrachten. Joris was jonger, hooguit vijfentwintig. Toch had hij duidelijk ervaring, al was hij in het begin wat onbeholpen geweest en – maar welke knul van zijn leeftijd deed dat niet? – binnen een paar minuten klaargekomen. Wat me vooral had verbaasd, was dat hij niet had aangedrongen om het halfuur vol te maken. Meestal commandeerden die jonge gasten me: ‘Neem mijn pik nog even in je mond, ik heb nog tien minuten.’ Joris niet. Hij had zich direct aangekleed en was niet blijven plakken, hoewel hij netjes het volle halfuur betaald had, inclusief royale tip. En nu stond hij opnieuw voor me, met die schaapachtige glimlach om zijn lippen en die plastic zak van de WE in zijn handen.

‘Niemand hoeft het te weten, toch?’ De stilte veegde de glimlach van zijn gelaat. ‘Ik heb er heus geen bijbedoelingen bij, als je dat soms denkt. Het is gewoon… Ik wilde gewoon iets aardigs doen.’ Hij beet op zijn lip, onze blikken kruisten elkaar in de spiegel. ‘Het tenslotte Valentijn.’ Ik griste een sigaret uit het pakje op de kaptafel, stak hem tussen mijn lippen en begon in de lade te rommelen. Waar lag verdomme die aansteker? In de spiegel zag ik hoe Joris met de rits van zijn suède jack speelde. Zijn wangen hadden dezelfde tint als eerder die middag en ik voelde een vlaag van medelijden. Rosse gasten blozen zo gemakkelijk, daar heb ik altijd een zwak voor gehad. Uiteindelijk won mijn nieuwsgierigheid het van mijn principes. ‘Vooruit dan, laat eens zien wat je in die zak hebt.’ Hij toverde een mouwloze zwarte jurk tevoorschijn, zo een als Audrey Hepburn droeg in Breakfast at Tiffany’s. De toelopende taille leek op maat van mijn figuur gesneden. Ik was onder de indruk. ‘Ik dacht dat je rondingen er mooi in zouden uitkomen,’ zei Joris. Zijn adamsappel danste op en neer. Ik rolde met mijn ogen. ‘Eerst maar eens zien of ze past, hè’ zei ik pinnig en verdween achter het kamerscherm. Het irriteerde me wanneer mannen met complimenteerden met mijn uiterlijk. Dat ik werkte met mijn lichaam, gaf hen nog niet het recht om me te reduceren tot puur en alleen dat lichaam. Het was niet alsof ik veel keus had gehad toen ik hier arriveerde. Toiletten schrobben of blowjobs geven, het was allebei kutwerk – met het verschil dat deze baan me genoeg opleverde om mijn collegegeld te betalen.

Terwijl ik mijn peignoir op de grond liet vallen, hoorde ik Joris met zijn voet op de grond tappen, wachtend tot zijn showpony kwam opdraven. Nijdig trok ik de zwarte jurk over mijn hoofd. Zie je wel, dacht ik triomfantelijk, veel te strak. Maar toen ze eenmaal over mijn borsten was, stond ik perplex. In de staande spiegel zag ik een klassieke schoonheid à la Holly Golightly. Met mijn linkerhand hield ik mijn haren omhoog, met de rechter bracht ik de sigaret naar mijn lippen. Alleen de diamanten ontbraken. ‘Lukt het?’ De stem van Joris wekte me uit mijn dagdroom. ‘Nee, veel te klein’ riep ik kribbig. Haastig wurmde ik me uit het zwarte kleed, smeet het in de hoek en hulde me opnieuw in de beschermende cocon van mijn kamerjas. Vervolgens vouwde ik de jurk netjes op en stopte hem terug in de plastic zak.

‘Goh, dat is balen,’ zei Joris toen ik de zak terug in zijn handen duwde. ‘Ik had gedacht dat het precies je maat was. Zesendertig, toch? Cup… D? D75?’ ‘Bijna,’ gaf ik met tegenzin toe, ‘E70.’ ‘Hmm, dan zat ik er niet ver naast. Jammer.’ Ik liet me verleiden tot een sneer: ‘Heeft je vriendin soms dezelfde maat?’ Die vraag leek hem even van zijn stuk te brengen, maar toen begon hij zowaar te lachen. ‘Nee, ik ben ontwerper voor een groot modebedrijf, vandaar mijn talent om maten in te schatten.’ Die had ik niet zien aankomen, maar ik gunde hem niet het genoegen mee te lachen. ‘Oh ja? Ik dacht dat alle modeontwerpers homo waren?’ ‘Er zitten er een hoop tussen,’ zei hij rustig. Zijn kalmte ergerde me: insinuaties over hun geaardheid werkten bij de meeste mannen als een rode lap op een stier. Gefrustreerd rommelde ik in de zakken van mijn kamerjas. Mijn ogen schoten door de ruimte: wáár lag dat ding, verdomme? ‘Wil je soms een vuurtje?’ Verbouwereerd – ik had hem niet voor een roker aangezien – accepteerde ik Joris’ kleine rode aansteker en liep naar het raam. Na een kalmerende hijs keek ik over mijn schouder. Joris stond nog altijd aan zijn rits te frunniken, het WE-tasje bungelend in zijn hand. Wat zou het ook, dacht ik. De sigaret had mijn zenuwen misschien bedwongen, tegen mijn nieuwsgierigheid was geen enkele drug opgewassen. ‘Wat is je verhaal, Joris?’ Zijn hand bevroor halverwege zijn ritssluiting. ‘Hoe bedoel je?’ Ik draaide me om en hees mezelf op de vensterbank. ‘Wat brengt een knappe jongeman als jij op Valentijnsdag naar deze buurt? Met zo’n mooie jurk nog wel.’ Er kwam weer beweging in Joris. Hij liet zich op het bed tegenover me zakken, zodat we met onze gezichten naar elkaar toe zaten, en stak van wal.

‘Valentijnsdag is nogal een rotdag voor me. Mijn vriendin, Sanne, is op 14 februari overleden.’ Ik verslikte me in een trek en begon luid te hoesten. Toen ik weer op adem was gekomen, hing de stilte als een muur tussen ons in tot Joris verderging met zijn verhaal. ‘Dat is nu drie jaar geleden. Ik ben nog altijd niet toe aan iets nieuws, maar die eenzaamheid…’ Hij staarde naar de plastic zak in zijn schoot. ‘Ik heb het wel geprobeerd, hoor. Onenightstands en zo. Maar die meisjes willen altijd meer, en ik voel dat ik er nog niet klaar voor ben om dat te geven.’ Hij keek op, met opnieuw die roze wangen. ‘Dus toen dacht ik: misschien moet ik het anders aanpakken.’ Zijn duim had een gat in het hengsel van de plastic zak geboord. ‘Maar toen ik daarnet wegging, voelde ik me zo… ik weet niet… leeg.’ Ik knipte een paar keer met de aansteker, Joris pulkte aan zijn WE-tas. In het pakje op de kaptafel zat nog één sigaret. Ik bood hem aan Joris aan, maar die schudde zijn hoofd, dus stak ik hem zelf op. Nadat ik mezelf opnieuw moed geïnhaleerd had, antwoordde ik: ‘Dat is wat betaalde liefde inhoudt. Jij geeft mij geld, ik schenk je mijn lichaam. Simple as that.’ Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht. ‘Natuurlijk wel. Maar geld is zo… koud. Ik wilde gewoon iets liefs doen. Een nieuwe herinnering op 14 februari plakken. Meer niet.’ En ik hoorde aan zijn stem dat hij niet loog.

Anna Castagnoli en Carll Cneut: De gouden kooi

Carll Cneut heeft iets met vogels. Eerder illustreerde hij al de beroemde sprookjes van H.C. Andersen (Het geheim van de keel van de nachtegaal, 2008, bewerkt door Peter Verhelst) en Maurice Maeterlinck (De blauwe vogel, 2011, bewerkt door Do Van Ranst). Nu levert hij de prenten voor een origineel sprookje van de Italiaanse schrijfster Anna Castagnoli: De gouden kooi, vertaald door Saskia De Coster. Een prentenboek met een macabere ondertitel (‘Het waargebeurde verhaal van de bloedprinses’), een harde boodschap en toch ook een sprankje hoop.

Die bloedprinses heet Valentina en ze is een stereotiep verwend nest. Ze heeft alle materiële luxe die haar hartje begeert (‘driehonderdnegentig paar schoenen, achthonderdtwaalf hoeden en vijftig riemen’) en een enorme tuin vol met de meest exotische vogels, maar nog is het niet genoeg. Valentina mist iets, en dus stuurt ze haar dienaars op de meest onmogelijke missies om haar allerlei verzonnen vogels te bezorgen (‘de vogel met glazen vleugels’, ‘de vogel met de koralen bek’ en ‘de vogel die water spuit’). Wanneer zij er niet in slagen haar wens te vervullen, laat ze hen – ‘hak!’ – onthoofden. Daarmee doet deze bloedprinses denken aan een andere moordlustige royal uit de jeugdliteratuur, namelijk de Hartenkoningin uit Alice in Wonderland. Cneut speelt daar leuk op in door Valentina een wit schortje aan te meten dat eerder aan Alice zelf doet denken. Op één prent omringt hij haar zelfs met hoge hoeden en witte konijnen.

Dat Valentina een onmogelijk verlangen koestert, blijkt wel uit de illustraties. De vogels die ze omschrijft, zijn op een aparte manier vormgegeven: hun koppen blinken uit in perfecte precisie, maar hun lijfje lijkt afgewerkt door een kinderhand. Cneut lijkt hiermee te zeggen dat de vogels slechts in Valentina’s fantasie bestaan. Zulke onafgewerkte elementen duiken vaker op in de prenten: op de tekeningen aan Valentina’s slaapkamermuur, maar ook bij het meisje zelf en de andere figuren (haren en kousen zijn krasserig ingekleurd met grijs schetspotlood), de vogelkooien en bloemen (bibberige potloodlijn). Deze toets zagen we nog niet eerder in Cneuts werk; hij lijkt hier stilistisch een nieuwe weg in te slaan. Wellicht met een reden, zo zal blijken.

Op een nacht droomt Valentina van een sprekende vogel. Ook deze is weergegeven als was hij door een kind getekend: een bibberige potloodlijn en niet netjes binnen de lijntjes ingekleurd. Valentina koppelt haar levensgeluk aan dit droombeeld: als haar dienaars deze wens in vervulling laten gaan, zal er nooit nog een kop rollen. Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wie dacht dat Valentina tevreden zou zijn met een eenvoudige papegaai, komt bedrogen uit: deze goudgele vogels, door Cneut in een van zijn vertrouwde stapelbeelden geschilderd, kunnen de bloedprinses niet bekoren (‘Ze herhaalden alleen wat anderen hen hadden voorgezegd’).

Valentina’s verlangen reikt duidelijk dieper dan simpelweg hebberigheid. Op de eerste prenten straalt ze duidelijk woede uit: een rode blos op haar wangen, haar mondhoeken omlaag gekruld en haar armen nijdig over elkaar gevouwen. In de vogeltuin zien we echter een heel andere Valentina, een meisje dat – letterlijk – reikhalzend opkijkt naar de grote vogels, maar er niet in slaagt oogcontact met hen te maken. Weer andere prenten suggereren verveling (een norse Valentina op een stapel schedels, een hand onder haar kin) of zelfs verdriet (Valentina omringd door poppen, met gebogen hoofd en hangende schouders).

Uit al deze prenten spreekt een gevoel van eenzaamheid, en ook de tekst suggereert een behoefte aan affectie: ‘In haar droom was de sprekende vogel zeer goed gezelschap. Hij zei heel lieve dingen en hij zei ze alleen maar tegen haar. Valentina voelde zich bijzonder uitverkoren en speciaal. De volgende dag werd de dochter van de keizer voor één keer goedgezind wakker.’ Dit sentiment wordt versterkt door de afwezigheid van een ouderfiguur. Het is opvallend dat Valentina in de tekst vaak omschreven wordt als ‘de dochter van de keizer’, terwijl we die hele keizer nergens op de prenten zien. In de tekst wordt hij slechts eenmaal als personage genoemd, wanneer hij zijn dochter een gouden vogelkooi geeft voor haar verjaardag. Een lege kooi als verjaardagscadeau, kan het nog killer? In hoeverre het gemis aan ouderlijke liefde een rol speelt bij Valentina’s bloeddorstige gedrag, is discutabel; daarvoor zijn de aanwijzingen in tekst en beeld te summier. In ieder geval is het duidelijk dat het prinsesje iets mist, en dat gemis wil ze opvullen met een niet-bestaand dier. Dat dit dier een vogel is, is extra treffend: een vogel is immers het symbool van ongrijpbaarheid, aangezien hij elk moment kan wegvliegen.

Valentina wenst het onmogelijke: ze wil dat haar fantasie werkelijkheid wordt. Een verlangen dat gedoemd is onvervuld te blijven, maar toch heeft ze er alles voor over. Ze verkoopt al haar bezittingen, vogels incluis (die koraalbek waarvoor koppen moesten rollen was haar klaarblijkelijk niet zo dierbaar), in de hoop dat die investering een sprekende vogel zal opleveren. Dan komt er een jongen naar het paleis met een list die niet zou misstaan in een klassiek sprookje: nadat hij de bloedprinses laat beloven dat geen dienaar ooit nog zijn hoofd zal verliezen, geeft hij haar een ei. Van de sprekende vogel, zo beweert hij. Voor het eerst zien we een Valentina die niet boos, verdrietig of verlangend kijkt, maar ronduit blij: ze glimlacht en lijkt zelfs te huppelen. Haar gedrag verandert van meedogenloos naar zorgzaam: ze vlecht zelfs een nestje van haar eigen haren om het ei warm te houden.

Vol spanning slaan we de bladzijde om, maar dan: de tuin is kil, donker en winderig. De kooien zijn nog altijd leeg, het ei is nergens te bekennen en Valentina is in slaap gevallen, haar haren tot Rapunzellengte gegroeid. Vanaf dan neemt de tekst het verhaal over en treedt plots een auctoriale verteller op de voorgrond, die een aantal suggesties doet over wat er gebeurd kan zijn. Opvallend: geen van die suggesties is onverdeeld positief. Dit sprookje eindigt niet met ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Valentina’s wens wordt niet vervuld, simpelweg omdat sprekende vogels alleen in de fantasie bestaan. Valentina is er niet in geslaagd om haar fantasie op een of andere manier waar te maken in het werkelijke leven.

Een manier om je fantasie vorm te geven, is tekenen. De lezer kan dat doen in het bijbehorend kleurboek Vogels tekenen, krabbelen en kleuren met Carll Cneut, waarin de illustrator op Keri Smith-achtige wijze aanzetten doet om de creativiteit te stimuleren. Tekenen, dus!

Floortje Zwigtman: Vlam

Na vier jaar komt Floortje Zwigtman eindelijk met een nieuwe adolescentenroman – en wat voor een. Vlam, het eerste deel van haar dystopische drieluik ‘Vonk’, is nu al de sensatie van het najaar in de young adult-literatuur. De lezersreacties lopen sterk uiteen. Sommige recensenten,  onder wie Bas Maliepaard, Pjotr van Lenteren en Jaap Friso, hebben moeite met de complexe structuur van de roman. Ook vinden ze dat het verhaal moeizaam op gang komt en te weinig antwoorden biedt (Trouw 18.10.2014, de Volkskrant 01.11.2014, JaapLeest 06.11.2014). Thomas de Veen daarentegen looft juist de dosering van informatie (NRC handelsblad, 31.10.2014), en Jürgen Peeters vindt dat het boek ‘getuigt […] van een grote eruditie’(Tzum, 10.11.2014). Daar sluit ik me volledig bij aan: Vlam is een roman van internationale allure, een geslaagde opener
van wat zomaar eens zou kunnen uitgroeien tot Zwigtmans magnum opus.

Een pittig boek

Vlam speelt zich af in Chimeria. Dit fictieve land ligt middenin de Atlantische oceaan, op de zuidelijke helft van een eiland. Chimeria wordt geregeerd door dux en uxor Tron, die het land zo autonoom mogelijk willen houden. Ze slagen daarin dankzij hun bondgenootschap met de noordelijke helft van het eiland, het Tweelingland. Dit buurland is hun belangrijkste handelspartner: zij hebben vruchtbare akkers, Chimeria heeft olie. Maar in de jaren tachtig ontstaan er strubbelingen. De olie raakt op, het Tweelingland legt buitenlandse contacten en de Chimeriaanse jeugd raakt steeds meer onder invloed van de westerse mode en muziek. De revolutie is niet veraf, zo voelt het.

Zwigtman plaatst haar dystopie niet in een nabije toekomst, maar in het recente verleden en dat is een geniale zet. Zo kan ze namelijk toch een stukje geschiedenis het verhaal in smokkelen, via subtiele verwijzingen naar de popcultuur van de eighties, hetgeen haar verhaal tastbaar maakt. Tegelijkertijd kan ze haar fantasie echter de vrije loop laten, omdat het een niet-bestaand land betreft. Dat fictieve land roept herinneringen op aan bestaande totalitaire regimes, van China en Noord-Korea over Cuba tot de Sovjet-Unie en de DDR. Tegelijk heeft Chimeria ook iets mythisch; het scheppingsverhaal over twee tweelingbroers doet denken aan Romulus en Remus.

De setting is tot in de puntjes uitgedacht, net als de personages – en dat wil wat zeggen, want het zijn er een heleboel. Op structureel niveau is Vlam een pittig boek. We krijgen een kijkje in de hoofden van twee families met elk vier kinderen, plus een aantal randfiguren. Bovendien verspringt het verhaal voortdurend in tijd, waardoor we sommigen van hen als kind én als volwassene meemaken. Deze vertelwijze doet sterk denken aan die van Edward Kitsis and Adam Horowitz, die de scripts schreven voor televisieseries als Lost en Once Upon a Time. Aangezien ik een trouwe kijker van beide series ben, vond ik Vlam niet heel moeilijk te volgen. Dat komt ook doordat de karakters zo overtuigend zijn: elk personage is met liefde neergezet, dat voel je.

Bovendien helpt het dat er een duidelijke hoofdpersoon is: Roxane, de jongste dochter van dux en uxor Tron. We volgen haar als tiener en als veertiger, respectievelijk tijdens het bewind van haar ouders en na de revolutie. Net als in haar vorige trilogie, ‘Een groene bloem’, kiest Zwigtman voor een personage in de marge, iemand die dichtbij de gebeurtenissen staat
maar toch een outsider is. Adrian Mayfield hing wel rond in de kring van Oscar Wilde, maar echt erbij horen deed hij niet. Hetzelfde geldt voor Roxane: als achttienjarige wordt ze angstvallig buiten de politieke beslissingen van haar ouders
gehouden. Toch ervaart ook zij het gebrek aan vrijheid dat kenmerkend is voor het regime: haar ouders bepalen alles,
van haar studiekeuze tot leefruimte, en ze kan geen stap zetten zonder geschaduwd te worden door lijfwachten.

Roxane kan zelfs geen vriendschappen sluiten zonder de bemoeienis van haar ouders. Wanneer ze haar oog laat vallen op de tegendraadse Christian Duse, besluit haar moeder diens rockband Datura in te lijven als propagandamiddel om de losbandige Chimeriaanse jeugd weer in het gareel te krijgen. Niet dat Christian en de andere bandleden – zijn broer Rafaël, zijn zusjes Una en Marina en zijn vriend Chaïm – hierop zitten te wachten; ze komen uit een politiek geëngageerd nest en staan kritisch tegenover het regime. Op die manier koppelt Zwigtman het totalitarisme van Chimeria aan een vorm van dictatuur die we ook in de Lage Landen kennen, namelijk de strenge marketing van artiesten door hun platenmaatschappij, gaande van songteksten tot kledingstijl. Door Datura daar vervolgens tegenin te laten gaan – tijdens de climax brengt de band hun eigen versie van het volkslied ten gehore, op een manier die doet denken aan Jimi Hendrix of The Sex Pistols – toont ze de revolutionaire kracht van muziek.

Universele zeggingskracht

Een ander belangrijk personage in de roman, dat we eveneens in twee tijdvakken meemaken, is Roxanes leeftijdgenote en lijfwacht Cookie Nin. Tussen de twee vrouwen bestaan een aantal interessante parallellen. Roxane komt doorheen de  roman over als koppig en naïef, een vrouw die tiener is gebleven (letterlijk: ze heeft plastische chirurgie ondergaan en heeft een jongere minnaar). Cookie daarentegen is eerder een kind dat te vroeg volwassen geworden is. Ze verloor haar moeder op jonge leeftijd bij een mislukte ontsnappingspoging uit Chimeria en werd opgevoed door de staat, die van haar een kindsoldaat maakte. Cookie is misschien meer politiek geëngageerd dan Roxane, maar in haar denken is ze eveneens heel beperkt. Ze koestert een blinde liefde voor het vaderland, die lijkt te ontspringen uit het gemis van een familie. Met deze  krachtige portretten toont Zwigtman aan welke impact een totalitair regime heeft op de opgroeiende jeugd, en hoe dit ook op latere leeftijd doorwerkt. Het verhindert mensen geestelijk volwassen te worden. Recensenten die zich erover beklagen dat de personages geen ontwikkeling doormaken, hebben het boek dan ook niet goed begrepen.

Hetzelfde geldt voor de kritiek op de dictatuur: die zou te vaag blijven, niet invoelbaar zijn. Maar is dat niet juist de  bedoeling? In hoeverre kunnen wij, buitenstaanders en westerlingen, begrijpen hoe het voelt om op te groeien in een totalitair regime? Het beste voorbeeld hiervan vind ik de scène waarin Una, zangeres van Datura, door de uxor wordt gedwongen haar opleiding aan het conservatorium te staken. Tijdens het lezen was mijn eerste reactie: ‘Mens, laat je toch niet zo doen!’ Maar juist het feit dat ik me niet in haar kon inleven, confronteerde me met mijn onmogelijkheid om de wreedheden van een dictatuur ten volle te bevatten. Aan de andere kant zijn sommige vormen van oppressie weer heel herkenbaar: Roxane die dolgraag wil studeren in het buitenland maar niet mag van haar ouders, bijvoorbeeld. Onderdrukking bestaat in alle soorten en maten, van een totalitair bewind over artistieke onvrijheid tot ouderlijke bemoeizucht. Zelfs de oorsprong van Chimeria’s regime ligt, ironisch genoeg, in de angst overheerst te worden door grotere
buitenlanden. Doordat Zwigtman het thema zo breed benadert, krijgt Vlam een universele zeggingskracht.

Met haar historische romans, waarvoor ze meermaals een Gouden Uil Jeugdliteratuurprijs in ontvangst mocht nemen, gaf Floortje Zwigtman al blijk van een buitengewoon schrijftalent. Met Vlam gaat ze nog een stap verder. Het boek is origineler qua inhoud, gedurfder qua structuur. Ze beschrijft geen geschiedenis, ze schrijft geschiedenis. Daarmee distantieert ze zich van populaire toekomstromans als ‘De hongerspelen’ of de ‘Chaos’-trilogie: ze toont de dystopie die onze maatschappij in feite al is.

Vlam is een boek om je tanden in te zetten en na dik vijfhonderd pagina’s is je leeshonger nog altijd niet gestild, want je blijft achter met een hoop vragen. Dat kun je irritant vinden, ik vind het juist heerlijk. Sterker nog: in een trilogie vind ik dat een vereiste. Het geeft aan dat de auteur een lange verteladem heeft, dat ze die drie boeken nodig heeft om haar verhaal te doen. Vergelijk het met ‘In de ban van de ring’: de grote veldslag moet nog komen, maar onder de oppervlakte broeit het al. Ik kijk dan ook reikhalzend uit naar deel twee, dat gepland staat voor najaar 2015. En dat is een leeservaring die ik heel lang gemist heb. Het doet me terugdenken aan mijn kinderjaren, toen ik met een zaklampje onder de dekens kroop om de nieuwe ‘Harry Potter’ uit te lezen. En hoe ik, in afwachting van het volgende deel, de oude boeken nog eens herlas en steeds weer nieuwe dingen ontdekte. Dit soort boeken zijn een zeldzaamheid, maar wat mij betreft zijn het de beste boeken die er bestaan. Je kunt er eindeloos in ronddwalen. Sommige lezers zullen misschien verdwalen. Die wijken niet graag af van de gebaande paden, of misschien trekken ze er niet graag op uit zonder kaart. Dat is niet erg, Vlam vindt zijn publiek wel. Tolkien zei het al: ‘Not all who wander are lost.’

In gesprek met Floortje Zwigtman

‘Je vergelijkt niet zomaar je eigen verborgen onvrijheid met de onvrijheid van een dictatuur,’ zegt Floortje Zwigtman, en neemt nog een hap van haar kaaskroket. In haar nieuwste roman Vlam verkent ze verschillende vormen van onderdrukking. Ik sprak met haar over synthesizers, onwaarschijnlijke dictators en het belang van een emotionele band tussen lezer en boek.

In Vlam maak je de overstap naar een nieuw genre: van historische romans (Wolfsroedel, de ‘Groene bloem’-trilogie) naar dystopie. Vanwaar die switch?

Bij historische fictie ben je heel erg gebonden aan je research. Bij Vlam wilde ik iets vrijer zijn, mijn onderzoek gebruiken als inspiratie en niet als leidraad. Maar het voelde voor mij niet echt als een overstap. Bij elke roman vertrek ik vanuit een bepaald idee – ik wil schrijven over jongeren binnen een gearrangeerd huwelijk, of over groepsdruk en geweld – en dan zoek ik een setting waarbij dat onderwerp zo fel mogelijk uitkomt. Ik wilde al heel lang over een dictatuur schrijven en de beste setting daarvoor was een fictief land, Chimeria. Ik wilde immers ook schrijven over de machthebbers en hun familie, en over historische dictators is weinig betrouwbare informatie te vinden.

Chimeria is wel duidelijk geïnspireerd op bestaande dictaturen: het land lijkt een soort samenraapsel van verschillende regimes, van Noord-Korea tot de DDR.

Dat waren zeker inspiratiebronnen. Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat een heleboel dictaturen sterk op elkaar lijken. Een communistische dictatuur verschilt niet fundamenteel van een fascistisch regime. Ze hebben een andere ideologie, leggen andere accenten, wijzen een andere vijand aan, maar de methodes komen overeen. Ook daarom wilde ik niet schrijven over een herkenbare dictatuur of ideologie, dan zou het zijn alsof ik een keuze zou maken voor het een
en tegen het ander.

Ontbreekt ideologie in Vlam?

Die ideologie zit er wel in, maar ze is niet heel opvallend. In plaats van direct uit te leggen hoe het zit, wil ik de lezer dingen doen beleven. Net als bij mijn vorige boeken word je gedumpt in een bepaalde setting en dan moet je jezelf zien te redden. Wat zijn de regels, waar staan deze mensen voor, wat kan wel en niet binnen deze maatschappij? Aan het eind van het
boek zul je nog niet op alle vragen een antwoord hebben, maar dat geeft niet: het is het eerste deel van een trilogie, geen afgerond verhaal.

Dat is misschien het grootste probleem wat recensenten met Vlam hebben: ze vinden het boek te verwarrend. Zijn dat luie lezers?

Het heeft wel te maken met een bepaalde manier van lezen. Zeker bij jeugdliteratuur zijn we gewend dat een schrijver de wereld uitlegt voor de lezer. Dat heb ik in Vlam bewust niet gedaan, omdat ik het belangrijk vind dat lezers, jong en oud, leren omgaan met de werkelijkheid. En die is niet zo keurig afgebakend. Je weet niet altijd wie goed of slecht is. Nu de wereld steeds groter en ingewikkelder wordt, ontstaat er een drang om de werkelijkheid te versimpelen. Nieuwsberichten worden korter en krijgen minder duiding, meningen worden samengevat in 140 tekens op Twitter. Ik begrijp wel dat je bij die overload iets eenvoudigs wilt, maar als je een werkelijkheid gaat creëren die sterk versimpeld is, zul je voortdurend je hoofd stoten tegen de ware en complexe werkelijkheid. Mensen vinden het moeilijk om te accepteren dat we de werkelijkheid
nooit helemaal kunnen doorgronden. Ik wil de lezer van Vlam een vergelijkbare ervaring geven, en ik kan me voorstellen dat zoiets frustraties oplevert.

Speelt die kritiek misschien extra omdat Vlam een young adult-roman is, onderdeel van de jeugdliteratuur?

Ik denk dat het eerder te maken heeft met verwachtingen van lezers. Recensenten lijken meer moeite te hebben met de structuur van het boek dan veel jonge lezers. Misschien is het voor jonge lezers, die een minder vastomlijnd idee hebben van hoe een boek moet zijn, gemakkelijker om in mijn werkelijkheid mee te gaan. Vlam roept heel tegenstrijdige reacties op: de een noemt het een pageturner, de ander een ploeterboek. Dat vind ik opvallend, want bij mijn vorige romans was
de kritiek vrij eenduidig.

Hoe voel je je onder die uiteenlopende kritieken?

Het geeft je als schrijver enorm veel vrijheid om aan deel twee te werken. Als de reacties universeel positief of negatief waren geweest, dan had dat veel meer ingewerkt op mijn schrijverschap. Nu voelt het alsof iemand naar je toe komt en zegt: ‘Mevrouw, wat een lelijke kinderen hebt u.’ Daar kun je op ingaan. Je kunt die persoon zijn bek verbouwen, of zeggen: ‘Dat is uw mening en daar hebt u hebt recht op’ – al is dat laatste een vrij onwaarschijnlijke en onnatuurlijke reactie. Maar stel dat er vlak daarna iemand zegt: ‘Mevrouw, wat een práchtige kinderen, mag ik ze inschrijven voor een schoonheidsverkiezing?’ Wat moet je dan? Je kunt niet naar de een én de ander luisteren. Dus reageer je zoals elke ouder zou doen: ‘Het zijn míjn kinderen, ík vind ze mooi en waar bemoeit u zich mee?’ Ik heb ervoor gekozen om dit boek te schrijven, dus schrijf ik het op mijn manier.

Terug naar Vlam. Opvallend genoeg plaats je de dystopie niet in de toekomst, maar in het recente verleden, meer bepaald de jaren tachtig. Waarom?

Ik wilde niet de veiligheid inbouwen dat dit verhaal zich afspeelt in de toekomst, het verre verleden of op een andere planeet. De lezer moet zich kunnen voorstellen dat hij zelf in zo’n land leeft. Ik wilde laten zien welke invloed dat heeft op het dagelijks leven van een opgroeiende tiener, maar ook hoe dat op langere termijn doorwerkt. Daarvoor moest ik een deel van het verhaal in het verleden plaatsen. Bovendien schrijf ik over jongeren. De tieners van nu ken ik natuurlijk wel, maar het is niet langer mijn jeugd. Dus wilde ik teruggaan naar de tijd dat ik zelf jong was: de trends, de muziek, dat soort dingen.

Wellicht helpt deze keuze ook om de dystopie tastbaarder te maken?

Ik wilde het verhaal inderdaad plaatsen in deze wereld, maar dan wel op een geloofwaardige manier. Ik kan niet zomaar een land toevoegen aan Europa, bijvoorbeeld. Want aan welk land grenst dat dan? Hoort het bij het westen of bij het Oostblok? Dat soort vragen wilde ik vermijden. Daarom koos ik voor een geïsoleerde ligging middenin de Atlantische oceaan, al sijpelt er wel iets van de rest van de wereld binnen. Ik wist ook: een land kan zich nooit in zijn eentje zo van de wereld afzonderen. Er moeten toch bondgenoten zijn. Vandaar dat ik het Tweelingland verzon, waarmee Chimeria een soort semicontinent vormt. Hun olievoorraad speelt daarbij een belangrijke rol. Groot-Brittannië was tijdens de Tweede Wereldoorlog geïsoleerd door een Duitse zeeblokkade, maar slaagde er met hangen en wurgen toch in om zelfvoorzienend te zijn. Het grote probleem was echter de slinkende benzinevoorraad – zo reden er bijvoorbeeld vrachtwagens op stoomaandrijving. Dus ik dacht: als een land zich zo wil afzonderen, dan hebben ze olie nodig.

Je bent zelf opgegroeid in Zeeuws-Vlaanderen. Is opgroeien in zo’n kleine wereld een stimulans voor de creativiteit?

Ja. Hoe meer beperkingen je hebt, hoe creatiever je wordt. Vandaar ook dat het schrijven voor mij steeds moeilijker wordt. Een deel van mijn tijd gaat op aan werk – ik schrijf ook veel voor educatieve uitgeverijen –, een ander deel aan het internet, een fantastisch maar verslavend medium. Wanneer ik in een omgeving ben die me dwingt om met mijn boek bezig te zijn, merk ik dat het schrijven veel gemakkelijker gaat. Dat vind ik wel moeilijk aan deze maatschappij: het wordt steeds lastiger om een omgeving te vinden die zo prikkelarm is dat je je volledig kunt concentreren op één ding. Ik merk dat veel mensen daar tegenwoordig moeite mee hebben. Ze vinden het ook lastig om langere teksten of romans te lezen. Dat komt doordat informatie vandaag wordt aangeboden in korte stukjes, zonder duidelijke samenhang. Een internettekst leest heel anders dan een tekst in een boek: elk kopje behandelt een apart onderwerp. In een boek ontplooit de informatie zich, dus neem je die beter op. Maar ook uit boeken kun je niet alles leren. Handelingen, bijvoorbeeld: als je een kast in elkaar wilt zetten, dan kun je wel een gebruiksaanwijzing lezen, maar dat wil je niet zeggen dat je die kast ook effectief in elkaar kunt zetten. Op hoe meer manieren de informatie tot je komt, hoe beter ze verankerd wordt in je geheugen.Het is heel belangrijk dat er bovendien een band ontstaat tussen de leerling en het vak. Dat wordt vaak vergeten. In de biologieles bekijken we de dwarsdoorsnede van een bruine boon. Weinig fascinerend, toch? Alles wat boeiend is – diergedrag, hoe kringlopen werken, hoe ecosystemen werken – wordt buiten het onderwijs gehouden. Terwijl dát juist de dingen zijn die leerlingen interesseren, dáárdoor ontstaat een band met het vak. Maar dat wordt helaas niet gezien.

Geldt dat ook voor de plaats van literatuur binnen het taalonderwijs? Krijgen leerlingen daar een band met literatuur?

Eigenlijk geldt daar hetzelfde als bij biologie: leerkrachten hebben een fascinatie voor het in kleine stukjes snijden van organismen. Alles wordt opgedeeld in kleine, onafhankelijke eenheden, maar verbanden worden vaak niet gelegd. Je ziet dat ook bij het literatuuronderwijs: wat is het thema, wie zijn de hoofdpersonen, wat is de structuur… Dat zijn allemaal zaken die leerlingen geen bal interesseren.

Tieners lezen ook op een andere manier, zo suggereerde Patrick Ness toen ik hem interviewde voor De Leeswelp (2013, nr. 6). Terwijl critici hem naar technische aspecten vragen, reageren tieners emotioneel op een boek: ze vragen hem naar de personages, vertellen hem dat ze moesten huilen toen de hond stierf.

Ik denk dat dat voor veel mensen opgaat. En daarom is het zo jammer dat juist dat emotionele aspect verwaarloosd wordt: wat literatuur met je doet, welke inzichten het je kan geven, welke herkenning je erin kunt vinden… Daar wordt niet over gepraat binnen het onderwijs of de kritiek, terwijl dat juist de kracht van literatuur is. Ze leert ons het leven kennen, laat zien dat we niet de enige zijn die met bepaalde dingen worstelen. Kunst is te veel tot een wetenschap gemaakt. Het moet zo abstract mogelijk zijn, maar dat zegt mensen niks. Sta jij voor een wit schilderij met een rode stip, dan denk je: ik zie een wit schilderij met een rode stip. Maar naar de gedachte of motivatie van de kunstenaar heb je te raden.

Die emotionele rol van kunst keert ook terug in Vlam. Kunst, muziek, is daar eigenlijk de motor achter de revolutie, vooral bij de jongeren. In hoeverre kan kunst aanzetten tot verzet?

Dat is van verschillende zaken afhankelijk. Muziek is een directe weg naar je hart: hoor je een beat, dan maak je stoffen aan die je agressiever of juist rustiger maken. Voor jongeren binnen zo’n bewind kan muziek daarom een uitlaatklep zijn. In hoeverre kunst een revolutie kan uitlokken, hangt af van hoe het wordt gezien door het regime zelf. Als kunst wordt weggezet als iets gevaarlijks, wordt het vanzelf revolutionair en aantrekkelijk. In onze maatschappij wordt kunst weggezet als nutteloos, dus is het niet aantrekkelijk. En dus ook geen wapen tot revolutie.

Waarom heb je juist muziek als kunstvorm in je boek gekozen?

Muziek is heel belangrijk voor mij. Zelf ben ik niet muzikaal, maar ik ben wel geïnteresseerd in hoe muziek een sfeer kan neerzetten. Het beïnvloedt ook mijn schrijven: bij elk boek heb ik een soundtrack. Bij Vlam wilde ik meer doen met die passie, ik wilde me voorstellen hoe het is om op dat podium voor een menigte te staan en te zien wat je met muziek kunt ontketenen. De popgroep Datura heb ik verzonnen toen ik vijftien, zestien jaar was. Toen al had ik een verhaal bedacht rond een band en de muziek die ze speelden, die beïnvloed was door de songs die ik hoorde op de radio. Ik ben in de jaren tachtig opgegroeid, met elektronische muziek, veel synthesizers. Ik vind de synthesizer een fantastisch ding: het is pure techniek, maar je kunt er wel muziek mee maken die zeer melodieus is.

Datura wordt in alles gestuurd door hun manager, die aangesteld is door de dictator: van de teksten tot hun uiterlijk. In hoeverre is dit geïnspireerd op de huidige marketing van artiesten? Of schrijvers – in je eerste column voor De Leeswelp (2014, nr. 1) zeg je dat uitgeverijen steeds meer big business zijn geworden.

Datura is daar niet geheel op geïnspireerd, maar er zijn wel interessante parallellen. Ik denk dat we ons steeds meer in onze vrijheid laten beperken, alleen gebeurt dat op een manier die gemaskeerd gaat als keuzevrijheid. Er worden tegenwoordig allerlei soorten producten uitgeprobeerd op jongeren. Uitgevers lanceren een boek om te zien of het aanslaat bij ‘de doelgroep’. Maar hoe definieer je die doelgroep? Er zijn duizenden uitzonderingen op het gemiddelde. Deze werkwijze kan het begin van het einde zijn voor het uitgeversvak. Er wordt niet meer vernieuwd, want men is bang om risico’s te nemen. Maar een consument kan ook verveeld raken. Bepaalde boeken zijn even heel populair, maar daarna zijn ze ook weer verdwenen. Waar is Vijftig tinten grijs bijvoorbeeld gebleven?

Maar Vlam heeft ook een enorme promocampagne: er is een fotoshoot, je kunt de bijbehorende single ‘Home’ van Myriam West downloaden, je kunt zelfs een visum naar Chimeria aanvragen. Is dat alles nodig om je boek vandaag aan de man te brengen?

Ik denk het wel. Je komt er echt niet meer met een boekpresentatie en een paar posters. Er moet een emotionele band ontstaan tussen de lezer en het boek, nog voor hij dat boek ook maar in handen heeft. Dat kun je proberen bereiken met muziek, foto’s, een voorpublicatie… De lezer moet iets zien of horen dat hem raakt, dán heeft hij een reden om het boek te gaan lezen.

Ten slotte nog een vraag over de dictators uit Vlam, dux en uxor Tron. Zij worden niet neergezet als echte tirannen. Waarom?

Dat zou te simpel zijn. En tiran die larger than life is, is een heel herkenbaar type – kijk maar naar The Dictator van Sasha Baron Cohen. Maar dictators zijn er in allerlei vormen. Erich Honecker was een saai grijs kantoormannetje, maar hij stond wel achter zo’n bewind. Ik wilde een dictator die niet direct herkenbaar zou zijn als slechterik, omdat je de slechterik in het echte leven ook niet meteen herkent. Een dictator staat niet altijd te schreeuwen als Hitler – trouwens, toen Hitler stond te schreeuwen was dat voor veel mensen ook nog geen waarschuwingssignaal. Het zijn niet allemaal sadisten die er genoegen in scheppen om mensen te martelen, het zijn ook de mensen die van achter hun bureau opdracht geven tot die martelingen, maar er zelf nooit getuige van zijn omdat ze niet tegen bloed kunnen.

Hoop je dat Vlam mensen daarvan bewust maakt?
Ik hoop het wel, maar het hangt ervan af in hoeverre lezers dat gaan zien. Sommige lezers zien dat niet. Dus moet ik over mijn boek gaan praten, met mensen in discussie gaan.

John Green: Paper Towns

Begin november begonnen de opnames van Paper Towns, gebaseerd op de in 2008 verschenen roman van John Green. Een goede reden om het boek te (her)lezen. Paper Towns vertelt het verhaal van Quentin (‘Q’) Jacobsen en zijn buurmeisje Margo Roth Spiegelman, het archetype van de manic pixie dream girl. Aan de vooravond van hun eindexamen duikt Margo in ninja-outfit op voor Q’s slaapkamerraam. Ze neemt hem mee op een nachtelijk avontuur, waarbij ze wraak nemen op klasgenoten die hen gekrenkt hebben. De volgende dag is Margo spoorloos verdwenen. Met zijn vrienden gaat Q op onderzoek uit, waarbij het ideaalbeeld van zijn buurmeisje langzaam verkruimelt.

Margo Roth Spiegelman is een vrije geest die een duidelijke afkeer ervaart van de burgermaatschappij. Q is door haar geïntrigeerd, maar die interesse wordt aanvankelijk niet expliciet omschreven als verliefdheid. Green construeert zijn roman als een detectiveverhaal, maar in feite doet Q niets anders dan wat elke verliefde jongere doet: proberen om het object van zijn affectie te begrijpen. Hij luistert naar Woodie Guthrie en leest Leaves of Grass van Walt Whitman, aanwijzingen die Margo hem naliet, en probeert zich via haar muziek- en boekensmaak een beeld van haar te vormen. Bij elke ontdekking die hij doet, wordt hij gedwongen dat beeld bij te stellen, waardoor ze langzaam van haar voetstuk valt: ‘Margo was geen wonder. Ze was geen avontuur. Ze was geen mooi en kostbaar voorwerp. Ze was een meisje.’

Ondertussen gaan Q’s vrienden op in drank, meisjes en examenfeestjes – zaken die voor hem triviaal zijn maar waaraan anderen, zo realiseert hij zich, wel waarde hechten. Dit inzicht doet hem ook beseffen dat Margo en hij nooit samen kunnen zijn, omdat hun waardesystemen te ver uit elkaar liggen. Want hoewel Q Margo’s rebelse levensstijl bewondert, heeft hij zelf wel meer traditionele idealen. Een relatie moeten afbreken, niet omdat je elkaar niet graag ziet, maar omdat je elk een ander levenspad wil bewandelen: wie herkent het niet? Q leert een aantal lessen waar iedereen vroeg of laat mee geconfronteerd wordt. Hij kweekt inlevingsvermogen en beseft dat de werkelijkheid zelden kan tippen aan onze fantasie. Al vroeg in de roman, wanneer Margo en hij hun nachtelijk avontuur besluiten met een inbraak in SeaWorld, stelt zij: ‘Dingen doen voelt nooit zo lekker als je van tevoren hoopte.’ De realiteit valt altijd tegen, zo luidt de boodschap, simpelweg omdat ze complex is.

Die moraal maakt Paper Towns een vrij sentimentele roman, mede door de uitgewerkte beeldspraak (de roman bestaat uit drie delen, ‘De touwtjes’, ‘Het gras’ en ‘Het vat’, die symbool staan voor de verschillende visies op menselijke relaties). Dankzij de luchtige humor, vooral in de dialogen tussen Q en zijn vrienden, wordt het boek echter nooit te zwaar. Vertaalster Aleid Van Eekelen-Benders wist het erg Amerikaanse taalgebruik om te zetten in vlot Nederlands met behoud van het ritme.

Op de filmversie is het nog wachten tot volgende zomer – benieuwd of de vertaling naar het witte doek zich kan meten met mijn fantasie.

Ik schreef deze recensie voor De Leesfabriek.

Kattigheden

Dit kortverhaal heb ik geschreven voor de opleiding Literaire Creatie aan de academie van Borgerhout. De opdracht: neem een ruimte die je goed kent, zet daar twee personages in die oude bekenden zijn en schrijf een dialoog.

Hier moest het zijn. ‘Mokkakapot’ stond er in vrolijk gekleurde letters op de frisgewassen ruiten. Steven tuurde naar binnen. Dieter was er nog niet, zoals hij al verwacht had. Zou hij nog een wandelingetje maken? Ach neen, hij kon toch wel even alleen in een koffiehuis wachten op een oude schoolkameraad?
Het was Dieters voorstel om elkaar hier te ontmoeten. Het café hield het midden tussen een steriele flexwerkplek en een retro koffiebar, alsof de uitbaatster – een hippe madam met een ringetje door haar sproeterige neus – niet kon kiezen op welk publiek ze zich zou richten. In ieder geval niet op een ambtenaar en vader van twee uit de Kempen. Aan de grote tafel in het midden van de zaak zaten twee jonge moeders in polkadotjurkjes, hun blote benen in duur uitziende leren laarzen. Ze dronken muntthee terwijl hun kroost zich uitleefde met kleurkrijt. Op de rode zetel zat een jongeman met opgeschoren kapsel verwoed te tikken op een Macbook, met naast hem drie lege espressokopjes. Allen leken hier uitstekend op hun gemak, als dieren in hun natuurlijke habitat. Hij was de huiskat die was losgelaten in dit oerwoud van onbewerkt hout, jarenvijftigmeubilair en schreeuwerige graffiti.
Steven koos een plekje bij het raam, naast de vensterbank met leesmateriaal. Bij gebrek aan De Standaard bladerde hij door De Morgen. ‘Goedemiddag, wat zal het zijn?’ Steven dacht na. In cafés als deze had je vast tientallen speciale koffies en limonades. ‘Eh… de kaart, alstublieft.’ De barista reikte hem een kartonnen vouwwerkje aan dat binnen handbereik op het tafeltje naast hem lag. ‘Juist. Dank u.’ Steven frunnikte onhandig aan het menu. ‘Ach, doet u maar gewoon een tas koffie.’ ‘Eén taske koffie, komt eraan! Nog iets erbij misschien?’ Steven voelde de zitting van het roodleren stoeltje in zijn dijen prikken. ‘Neen, merci’ mompelde hij. ‘Ik wacht op een vriend.’

Niet veel later kwam Dieter binnen. Met zijn leren jack en driedagenbaard leek hij de koning van de jungle. ‘Amai Steven! Da’s lang geleden. Ça va? Hoe is ‘t met Nele? En de kindjes?’ ‘Och, niets te klagen. Charlotte zit nu in het derde leerjaar, en onze Tom…’ Intussen keek Dieter, half omgedraaid, naar het krijtbord met lunchgerechten. ‘Man, ik heb goesting in een boke. Verdukske, dat klinkt wel goed, met spek. Sorry, wat zei je?’ ‘Niets bijzonders’ bromde Steven. Hij staarde naar de tekening op de muur achter Dieter en probeerde zich de naam van diens laatste scharrel te herinneren. ‘Hoe is het met u en… Emilie?’ ‘Wie, Aurelie? Allez Steven, da’s allang gedaan jongen. Ik ben nu met Jamila. Bloedmooie griet.’ Dieter haalde een iPhone uit zijn broekzak en toonde Steven een foto van een meisje dat zijn dochter zou kunnen zijn. ‘Jamiel is kunstenares. Jaha,’ zei hij en wees trots naar de Rorschachachtige verfvlek achter hem, ‘dat heeft mijn meisje gemaakt.’
‘Ha die Dieter! Zijt ge weer aan ’t stoefen met uw lief?’ De barista legde een hand op zijn schouder. ‘Marie! Hoe is het, meisje?’ Steven liet de twee bijkletsen, nam nog een slok koffie en haalde de wikkel van de Chocotoff die hij erbij gekregen had. ‘Zeg Marie, heb je voor mij een pintje? En een Verdukske, alsjeblieft. Steven, gij nog iets?’ Het chocolaatje kleefde als cement tussen zijn kiezen. Steven duwde zijn tong tegen zijn gebit en focuste zijn blik op het krijtbord, hoewel dat zonder leesbril niet veel zin had. ‘Een smos met kaas’ zei hij zodra hij zijn kaken bevrijd had. ‘Speltbrood met bejaarde kaas en chutney?’ ‘Eh ja, doe maar. En ook een pintje, alstublieft.’

Terwijl Marie richting de toog verdween, pijnigde Steven zijn hersens over een complimenteuze analyse van Jamila’s schildertalent. Dieter was hem als gewoonlijk voor. ‘Hoe is ’t eigenlijk op uw job? Werkt ge nog altijd voor de gemeente?’ ‘Bwa, ça va. Veel papierwerk, de laatste tijd.’ ‘Ach man, gij laat dat toch allemaal van u afglijden na vijf uur.’ Altijd weer die grapjes. ‘De laatste weken heb ik anders veel overuren gemaakt,’ gromde Steven. ‘Paar bewoners die een huis gebouwd hebben op gemeentelijke grond. Ziet ernaar uit dat ‘t een rechtszaak gaat worden.’ ‘Schurken! Ach Steven, gun die mensen hun pied-à-terre. Zeg, zijt gelle niet aan ’t verbouwen? Ik zag wat foto’s passeren op Nele’s Facebookpagina – ah, dank u Marie!’ Steven sneed een flink stuk van zijn zojuist gearriveerde speltbrood, kauwde er extra lang op en spoelde de taaie korst weg met een flinke slok bier. Pas daarna keek hij zijn vriend weer aan. ‘We hebben er nochtans wat mee te stellen gehad, waterschade –’ ‘Hmm, ambetant…’, mompelde Dieter, die ondertussen met zijn iPhone in de weer was. Vergiste Steven zich, of zag hij daar de kastanjebruine bob van zijn vrouw passeren?
‘Sorry maat, ik moet effe bellen. Ben zo terug.’ ‘Geen probleem hoor’ siste Steven, en prikte nog een stuk brood aan zijn vork. Al kauwend keek hij toe hoe zijn vriend op zijn gemak een shagje rolde alvorens het dringende telefoontje te plegen.

Toen Dieter terugkwam, had Steven zijn broodje al op. ‘Amai Steven! Dat heb je rap gedaan. Bij u gaat zo’n boke in een holle kies, hè?’ Hij knipoogde plagend en het bloed stroomde naar Stevens wangen. ‘Gij blijft verdomme zo lang weg!’ blafte hij. ‘Dju, Steef! ’t Was maar een grapje.’ Ze namen beiden een slok van hun bier. Dieter was degene die de stilte verbrak. ‘Allez, ge ziet er goed uit. Lekker kleurtje. Hoe was uw verlof eigenlijk?’ ‘Oh, zalig! We zijn gaan kamperen in Normandië. Het weer zat niet altijd mee, maar we hebben ons nochtans goed geamuseerd.’ ‘Weeral Frankrijk? Steven, waarom toch altijd zo dicht bij huis? Doe ‘ns zot jongen, boek een weekje Thailand ofzo. Kinderen bij de bomma, gij en Nele op ’t strand. Ik kan u verzekeren, dat doet wonderen voor de relatie.’
Opnieuw die knipoog. ‘Volgens mij kan die Nele wel wat spice gebruiken. Amai, ik zie haar nog staan in De Perel, met haar carréke en haar leren frak. Pittig ding was ze toen. Jaha,’ hij boog zich naar Steven toe en dempte zijn stem, ‘’t Is dat ze meer wou, jongen, anders had ik ’t wel geweten.’ ‘Klootzak!’ brulde Steven. ‘Ik wist het wel, het was je nooit om mij te doen.’ Hij schoof zijn stoel krachtig naar achteren en zijn buik botste tegen de tafelrand, waardoor er een royale hoeveelheid bier uit Dieters glas klotste. Marie hield hen fronsend in de gaten vanachter de toog. De twee moeders staakten hun gesprek en hun kinderen proesten het uit. Alleen de jonge carrièretijger tikte onvermoeibaar verder.
‘Komaan Steven, neemt ’t toch niet zo serieus!’ Hij negeerde Dieter, trok zijn portemonnee en smeet een biljet van tien euro op tafel. ‘Hou het kleingeld maar.’ ‘Allez, kunnen we dit niet op een volwassen manier uitpraten?’ Steven keek zijn vriend recht in de ogen. ‘Oh, dus nu wilt ge wel praten?’ snauwde hij. ‘Op een volwassen manier nog wel. Geen geveinsde interesse? Geen flauwe grappen?’ ‘Allez Ste–’ ‘Sorry Dieter, ge zijt te laat. Waarom zou ik me minder voelen, als ik heb wat gij altijd wilde maar nooit kon krijgen?’
Hij sloeg de deur met een knal achter zich dicht. Door de trillende ruiten ving hij een glimp op van een perplexe Dieter en Marie die slap van het lachen over de toog hing. Ze deden maar. Het gras in ’t Stad was toch niet groener dan op de parking. Steven keek op zijn horloge. Als hij opschoot, kon hij de trein van twee uur nog halen. Dan was hij zelfs op tijd voor de tweede helft van Toms voetbalmatch, dat zou Nele aangenaam verrassen. Tevreden spinnend ging hij op weg naar het station.

Carol Rifka Brunt: Vertel de wolven dat ik thuis ben

In Vertel de wolven dat ik thuis ben schetst Carol Rifka Brunt een haarscherp familieportret. Het boek speelt zich af in Amerika tijdens de jaren tachtig. Protagoniste June is een wat zonderling meisje met een fascinatie voor de middeleeuwen. Ze heeft een bijzondere band met haar peetoom Finn, een hippe kunstschilder uit New York. Haar liefde voor hem lijkt gewone familiale affectie te overtreffen — al is dit niet helemaal zeker, omdat deze gevoelens de veertienjarige June verwarren. Finn sterft al aan het begin van de roman. Aids, zo lezen we tussen de regels door; June lijkt de impact van deze ziekte niet echt te beseffen. Na de begrafenis zoekt een onbekende Britse man contact met haar. Het is Finns partner Toby, die zich altijd voor June en haar zus verborgen moest houden. Aanvankelijk is June gekwetst. Niet alleen blijkt dat zij niet de belangrijkste persoon in Finns leven was, ook de dingen die ze met Finn associeert (gitaar spelen, origami vouwen) blijken niet allemaal bij hem te horen. Toch wint haar nieuwsgierigheid en verlangen om de herinnering aan Finn vast te houden het van haar wrok, waarna Toby uitgroeit tot haar ‘tweede liefde’ en haar hart aan het eind van de roman opnieuw gebroken wordt. Jaloezie komt ook naar voren in andere relaties. Brunt introduceert hier een aantal mooie parallellen. Enerzijds zijn er de zusjes June en Greta, ooit dikke vriendinnen, maar tijdens hun tienertijd uit elkaar gegroeid. De jongere June wijt dit aan Greta’s populariteit, maar wie door Greta’s venijnige opmerkingen heenprikt, merkt dat Greta June benijdt omwille van haar innige vriendschap met Finn en later Toby. Het weerspiegelt de situatie van June, die jaloers is op de band tussen haar oom en zijn vriend. Wanneer Greta haar gevoelens uiteindelijk durft te uiten, ontstaat er begrip en groeien de zussen dichter naar elkaar toe. Anderzijds is er de relatie tussen Finn en de moeder van de meisjes: beiden talentvolle schilders, maar alleen hij maakte zijn carrièredroom waar. Finn leidde het leven dat zijn zus ambieerde, en Toby is voor haar de ideale zondebok om haar woede op af te reageren. Hij zou Finn aids gegeven hebben (al wordt gesuggereerd dat het eerder andersom was). Zo geeft Brunt een interessante twist aan de taboe van homoseksualiteit: de moeder veroordeelt Finn en Toby niet puur vanwege hun geaardheid; homoseksualiteit is eerder een handig middel om haar eigen frustraties te kanaliseren. Langzaam blijkt hoezeer de wrok van de moeder de gebeurtenissen in het verhaal beïnvloedt. Toby die zich afzijdig moet houden van de meisjes, die niet welkom is op de begrafenis van zijn eigen vriend… Maar ook Greta, die onder druk van haar moeder een rol accepteert in een Broadwayvoorstelling — ze moet haar gemiste kans op roem waarmaken — en als een typisch kindsterretje aan de drank raakt. De lezer voelt regelmatig een vlaag van verontwaardiging over zoveel verbitterdheid. Brunt kiest ervoor om de moeder een beetje mysterieus te laten, en dat is een geweldige zet. In plaats van de moeder zelf haar gevoelens te laten opbiechten, laat ze dit doen door Junes vader, die doorheen het verhaal nogal op de achtergrond blijft. Zo geeft ze subtiel diepte aan een bijpersonage én houdt ze het karakter van de moeder (koppig en niet van plan haar ongelijk te bekennen) geloofwaardig. Het toont bovendien de ontastbaarheid van de volwassenenwereld, die een tiener deels oppikt maar nog niet volledig begrijpt: zo denkt June aan het eind van de roman dat ze haar moeder ‘sorry’ hoort fluisteren tegen Toby, maar dit weet ze niet zeker. Hoewel de diverse relaties en personages accuraat neergezet zijn, overtuigt vooral de band tussen de zusjes. Het thema van wrok en vergeving wordt hier tastbaar gemaakt via kleine handelingen. Zussen hebben immers een speciale band: ze kennen elkaar door en door, waardoor alle daden worden uitvergroot, zowel de kwetsende als liefhebbende. Familieliefde kan een hoop schokken hebben, juist op jonge leeftijd. Een intens gemene daad als een foto besmeuren met ketchup, wordt even gemakkelijk gevolgd door een blijk van onvoorwaardelijke trouw (samenzweren tegen mama), ook al is nog niet alles uitgepraat. Vertel de wolven dat ik thuis ben biedt een genadeloze analyse van familierelaties, via grote parallellen en kleine handelingen. Herkenbaar en ontroerend.

Joost de Vries: Vechtmemoires

Vechtmemoires bundelt een reeks essays over literatuur en populaire cultuur. In een tongue-in-cheek stijl die doet denken aan Britse schrijvers als Nick Hornby (Stuff I’ve Been Reading) en Geoff Dyer (Yoga voor mensen die te beroerd zijn om eraan te doen) snijdt Joost De Vries allerhande onderwerpen aan, van auteurs als Arnon Grunberg en Oek de Jong tot tv-series als Girls. De verteltrant is lichtvoetig en persoonlijk, alsof het lezingen betreft (‘Dan nu de vervolgvraag: waarom, Joost, is ironie érg?’), maar de stukken hebben wel een duidelijke kop en staart. Tussen de afzonderlijke essays duiken bovendien een aantal onderliggende thema’s op.
De rode draad van de bundel komt het duidelijkst naar voren in een essay getiteld ‘Waar we het over hebben als we het over ironie hebben’. De Vries ziet ironie als hét kenmerk van onze tijdgeest. Zijn analyse van hedendaagse fenomenen als hipsters en het Project X-feestje in Haren ontlokt de lezer regelmatig een luide schaterlach: ‘YOLO is nooit de conclusie van een zin als: “Ik ga na mijn eindexamen een jaar weeskinderen helpen in Afrika — YOLO weetjewel,” […] Je hoort ‘m eerder achter in de Starbucks; “Kom, we bestellen nog een tall mocha frappuccino. YOLO.”’ Het is de vraag hoe ironisch we sommige van zijn eigen essays moeten opvatten, bijvoorbeeld ‘Realpolitik’, waarin De Vries fantaseert hoe het is om een dictator te zijn: ‘”Mandela was natuurlijk geen soldaat,” zei ik. “En alleen soldaten worden gefusilleerd…” — voor comic relief liet ik een korte pauze vallen – “dus ik zou hem hebben laten ophangen.”’ In dit citaat komt, behalve ironie, ook het andere onderliggende thema van Vechtmemories naar voren: polemiek. De titelessays die de bundel openen en afsluiten, geven blijk van een jongensachtige voorliefde voor geweld, van stoeien met broer en klasgenoten tot het naspelen van de Slag bij Waterloo: het is oorlogje spelen en — opnieuw — een vorm van ironie. Met dit kaderverhaal suggereert De Vries dat we zijn branieschopperij niet al te serieus moeten nemen.
Een manier om zichzelf in te dekken? Want wat zich profileert als een serieuze literatuurkritiek van het jongste redactielid van De groene Amsterdammer, kenmerkt zich bij nadere lezing vooral door een gebrek aan nuance. De kritiek die De Vries levert op zijn idool Christopher Hitchens, is evengoed toepasbaar op zijn eigen bundel: ‘wanneer je al die essays achter elkaar las viel het ineens op dat hij wel heel vaak dezelfde George Orwell- en Thomas Jeffersoncitaten gebruikte, dat hij sowieso zichzelf vaak knipte-en-plakte; je zag het herhaaldelijk oplaaiend nepotisme […] of luiheid.’ Een goed voorbeeld is het essay ‘Edward’, waarin hij de populaire tv-serie Downton Abbey afzet tegenover kostuumdrama’s die gebaseerd zijn op literaire romans (Brideshead Revisited, Parades End). De Vries omschrijft Downton Abbey als nostalgisch en anachronistisch, maar daarmee doet hij de serie tekort. Het verhaal loopt veel langer door dan de Edwardiaanse tijd — inmiddels zitten we in seizoen vijf en het interbellum — en de generatiekloof begint een steeds grotere rol te spelen. Terwijl Lord Grantham vasthoudt aan de oude normen en waarden, werken zijn dochters en nichtje als verpleegster of journaliste, hebben ze seks voor het huwelijk en affaires met de chauffeur of een donkere jazzmuzikant. Had De Vries de moeite genomen om Downton Abbey in zijn geheel te bekijken, in plaats van alleen het eerste seizoen, dan had hij gezien dat de volgens hem afwezige ‘democratisering […], urbanisering […], modernisering […] en internationalisering’ wel degelijk aan bod komen.
En zo gaat het eigenlijk in de hele bundel. De Vries generaliseert om zijn punt te maken: álle hoofdpersonages van Tommy Wieringa zijn machomannen, álle hedendaagse romans kenmerken zich door een gebrek aan seks. Hij schopt tegen de schenen en speelt vervolgens de vermoorde onschuld, zoals de kleine ikfiguur in ‘Vechtmemoires’ zijn klasgenoot uitdaagt door steeds zijn voeten onder diens tafeltje te schuiven. In feite is het onmogelijk om zijn standpunten te bekritiseren, want hij bedoelt het allemaal niet zo serieus. Als literaire kritiek moeten we Vechtmemoires dus vooral niet te ernstig nemen, maar als vormspel (een essay is letterlijk een ‘probeersel’) is het bijzonder geslaagd.